Talk softly, run hard

Talk softly, run hard

Frank Shorter

Tekst: Wiep Idzenga // Beeld: Stock

Midden in de groep die van de Georg-Brauchle-Ring rechtsaf de Allacherstrasse insloeg liep Frank Shorter. Net na de bocht keek hij om zich heen.

De Amerikaan monsterde de troepen. Zijn geoefende ogen schatten het aantal lopers in de kopgroep op dertig. Na vijf kilometer in de olympische marathon was het kaf al van het koren gescheiden. Met deelnemers uit landen als Nepal, Haïti en Bolivia ging dat wat sneller dan normaal. De lopers die hij vandaag tot zijn concurrenten rekenden zaten allemaal nog goed voorin. Naast zijn landgenoten én vrienden Kenny Moore en Jack Bacheler zag Shorter vlak voor zich ook de Brit Ron Hill, de Australische wereldrecordhouder Derek Clayton en de olympische titelverdediger Mamo Wolde. De Ethiopiër was al veertig, maar er zat nog weinig sleet op de militair. Sterker nog, zijn vermaarde landgenoot Abebe Bikila was op deze septemberzondag in 1972 zelfs speciaal naar München gekomen om Wolde bij de start succes te wensen. Ethiopië rekende erop dat ook Wolde voor de tweede maal op rij olympisch goud zou winnen, net als Bikila in 1960 en 1964.

Dat de kopgroep nog zo omvangrijk was verbaasde Shorter niet. Met 3:10 per kilometer lag het tempo relatief laag, onder de 19 kilometer per uur. Hij vond het prima zo. Het paste in zijn plannen. Shorter voelde zich goed. Hij nam hier in stadsdeel Moosach, in het noordwesten van München, zelfs de tijd om de omgeving in zich op te nemen. Hij had de route goed verkend, maar nu, met publiek, zag het er anders uit. Shorter had zich een paar dagen geleden niet kunnen voorstellen dat er zoveel toeschouwers zouden staan, niemand niet. Hij probeerde de gedachten die zijn hoofd binnenwaaiden te negeren. In zijn jacht op olympisch eremetaal moest hij aan niets anders denken dan de ene voet voor de andere zetten én aan zijn strijdplan.

Dat lukte tot de groep weer een paar bochten nam en Shorter visualiseerde waar ze nu waren op de routekaart. Het uitgetekende marathonparcours had de vorm van de mascotte van de Spelen, de Dachshund Waldi. De kopgroep liep nu door de straten die het hoofd van de teckel vormden. Het beestje – vasthoudend, behendig én taai – was een populair huisdier in Beieren, maar dat was niet de enige reden dat het gekozen was als allereerste mascotte in de olympische geschiedenis. Het hoge knuffelgehalte van de bontgekleurde Waldi moest ertoe bijdragen dat elke gedachte aan de laatste keer dat Duitsland het evenement organiseerde – de nazispelen van 1936 – werd verdreven. Dit moesten Die Heiteren Spiele worden, De Vrolijke Spelen. Dat was gelukt, tot de nacht van 4 op 5 september. Shorter sliep op dat moment op het balkon van zijn appartement in het olympisch dorp. Hij deelde eerst een kamer met Dave Wottle, maar toen die verrassend de 800 meter won wilde hij het feestje vieren met zijn kersverse bruid Jan. Het was de jonge atleet gelukt haar met een vervalste atletenpas het dorp in te smokkelen. In naam van de liefde had Shorter zijn matras naar het balkon gesleept. Hij sliep er zonder morren de rest van het evenement. Shorter was als student wel wat gewend, maar het paste ook bij zijn levensinstelling – wars van opsmuk en tevreden met weinig. Ook in de daaropvolgende decennia sliep hij rond hardloopwedstrijden liever bij loopvrienden dan in luxueuze hotels.

Op de ochtend van vijf september werd Shorter rond half vijf gewekt door wat hij dacht dat een pistoolschot was. Hij keek even over de rand van het balkon, maar zag niets. Shorter was weer gaan liggen en sliep verder. Niet veel later was het juist de stilte die hem deed ontwaken. Er liepen geen atleten op de binnenplaats tussen de appartementen, het geruststellende gelach en gepraat ontbrak. Er klopte iets niet. In het appartement trof hij zijn landgenoten aan, samengepakt rond een kleine zwart-wit-tv. Steve Prefontaine, de sensationele atleet uit Oregon die in München de 5000 meter liep, was een van hen. Door zijn Duitse moeder sprak hij de taal een beetje. Hij probeerde het nieuws zo goed mogelijk te vertalen. Het waren geen vrolijke berichten. Recht tegenover hun appartement – op nauwelijks honderd meter – waren die nacht acht leden van Black September, een Palestijnse terreurgroep, het Israëlische atletenverblijf binnengedrongen. Een gewichtheffer en de worstelcoach werden onmiddellijk gedood, negen andere Israëliërs werden gegijzeld.

De jonge Amerikanen liepen af en toe van de televisie naar het balkon, maar bij het appartement aan de overkant was niets van de gijzelactie te zien. Ze waren uiteindelijk naar de ontbijtzaal gewandeld en daarna gaan trainen. Shorter, Prefontaine en de anderen moesten daarvoor wel over een schutting klimmen, officieel mocht niemand het dorp in of uit. Ze hadden rustig getraind. Niemand kon zich voorstellen dat de Spelen werden hervat. Bij terugkeer keek Shorter vanaf zijn slaapplek nog eens naar het appartement van de Israëliërs. Op het balkon stond de man met de bivakmuts en het machinegeweer die hij op tv had gezien. Ze keken elkaar even aan, toen ging de man weer naar binnen. Op luchthaven Fürstenfeldbrück kwamen die avond alle gegijzelden, een Duitse politieman en vijf terroristen om het leven bij een mislukte bevrijdingsactie. ‘The games must go on,’ riep de racistische, seksistische en antisemitische IOC-president Avery Brundage de volgende dag. Na de herdenkingsdienst voor de Israëliërs vertelde Shorters ploeggenoot Moore dat hij zondag tijdens de marathon bij elke stap aan de omgekomen atleten zou denken. Shorter vond dat geen goed idee. Hij ging het bloedbad uit zijn gedachten bannen. Hij was een langeafstandsloper en hier in München zijn allerbeste marathon lopen was de enige juiste reactie op deze gruweldaad. Shorter wist hoe hij zich moest afsluiten. Al vanaf zijn twaalfde was hardlopen zijn manier geweest om met chaos en verwarring om te gaan, om even niet aan zijn vader te denken en om vrij te zijn.

Waar zo rond het 10-kilometerpunt de Megerlestraße overging in de Menzinger Straße was er in de kopgroep een lichte afscheiding ontstaan. Hill en Clayton hadden de leiding genomen. Ze wilden er zoals gewoonlijk een harde wedstrijd van maken – ‘a war of attrition,’ zoals Shorter het noemde, een uitputtingsslag. De twee voerden het tempo op. De kopgroep werd steeds dunner en langer. Meer en meer lopers moesten lossen. De voorsprong van de Brit en de Australiër was nog niet groot. Shorter liep er aan de staart van de uitgerekte groep een seconde of vijf achter. Hij kon wel harder, maar hij wilde niet. Shorter hield zijn kruit nog even droog.

In de chique, lommerrijke buurt waar ze nu liepen had Shorter nog goed zicht op Clayton en Hill – de eerste mannen die de barrière van 2:10 hadden geslecht. Shorter had bij de start nog geamuseerd naar laatstgenoemde gekeken, de man uit Lancashire. Hill, eigenaar van een eigen sportkledingmerk, was geobsedeerd door gewicht. Elke gram die hij kon besparen was er een. Vandaag droeg hij als enige een singlet met gaatjes, een soort visnet. Zijn broekje was gemaakt van superdunne stof, zijn schoenen zo licht dat ze bij het zachtste briesje zouden wegwaaien. Shorters schoenen waren ook minder zwaar dan die van de meeste concurrenten. Het waren zijn gele, op maat gemaakte Adidas racing flats, de schoenen waarmee hij een week geleden ook de series en de finale van de 10.000 meter had gelopen. De Fin Lasse Virén won in de snelste tijd ooit, Shorter werd in een Amerikaans record vijfde. Vandaag had Shorter wel een dun zooltje in zijn baanschoenen geplakt voor een beetje meer comfort – dat mislukte: hij had al na een paar kilometer blaren. Van alle deelnemers leek Shorter wel de laatste loper die extra demping nodig had. Zijn stijl was verrukkelijk: sierlijk, soepel en lichtvoetig. De 61 kilogram wegende Shorter leek bij tijd en wijle boven het asfalt te zweven. Kenners noemden de Amerikaan een ‘efficiency machine’, energiezuiniger lopen kon niet. Het was niet verwonderlijk dat Shorter er nu, tijdens de eerste meters in het omvangrijke Nymphenburger Schlosspark, nog fris en fruitig bijliep. Hij had amper geleden.

‘Zelfmoord’, meenden de andere lopers en lieten hem begaan

In de veertien dagen die Shorter inmiddels in München was had hij elke kilometer van het parcours minimaal één keer gelopen. Afgelopen donderdag was hij met de metro afgereisd naar het slot in het park, een zeventiende- eeuws paleis in barokke stijl. Shorter was de enige die er uitstapte zonder fototoestel. Hij was er niet als toerist, het was onderdeel van zijn voorbereiding. Shorter liep die dag slechts vijf kilometer, maar wel in het wedstrijdtempo waarmee hij de olympisch 10.000 meter had afgewerkt. Daar zouden de langeafstandsmannen Hill, Clayton en Wolde niet van terug hebben, en ook Bacheler en Moore niet. Shorter had tegen zijn teamgenoten gezegd dat hij in zijn eentje wat sightseeing ging doen. Ze vonden het niet raar, Shorter zonderde zich wel vaker af. Hij was blij dat niemand had voorgesteld om mee te gaan. Het waren vrienden, maar hier in München ook concurrenten. Hoe minder mensen van zijn strijdplan wisten, hoe beter. Moore had wel kunnen vermoeden dat zijn landgenoot weer een plannetje aan het smeden was. Hij was er een jaar eerder bij geweest toen Shorter zijn eerste twee marathons won. In augustus was Shorter de sterkste op de Pan-Amerikaanse Spelen, drie maanden later won hij de Fukuoka Marathon. Met de aanwezigheid van alle wereldtoppers werd die 42 kilometer in Japan gezien als het officieuze WK – het eerste officiële wereldkampioenschap werd pas in 1983 gehouden. Wat prestige betreft had de Japanse marathon slechts concurrentie van de oudste jaarlijkse marathon ter wereld in Boston, maar die was veel minder mondiaal. De New York marathon bestond pas een jaar, van races in Chicago, Berlijn en Londen was nog geen sprake. Tijdens de Fukuoka Marathon van 1971 had Shorter iedereen verrast, ook zijn maatje Moore. Het begon al tijdens de verkenning per bus. Halverwege vroeg Shorter de chauffeur om even te stoppen. De Amerikaan stapte in de voor hem onbekende stad uit, ontdeed zich van zijn trainingspak en sprintte er in zijn racetenue vandoor. Gekleed in hun burgerkleding keken Moore en de anderen hem met ogen zo groot als koffieschoteltjes na. Wat een mafkees.

Dat dachten ze later die week opnieuw toen Shorter na zo’n 23 kilometer wedstrijd ineens veel harder ging lopen. Het was de snelheid die paste bij een vijf of tien kilometer, absoluut niet bij een marathon. ‘Zelfmoord,’ meenden de andere lopers en lieten hem begaan. Ze zouden Shorter zo wel weer oprapen. Maar de student rechten aan de Universiteit van Florida had er lang over nagedacht en zich goed voorbereid. Toen hij eerder die week uit de bus was gestapt had Shorter de plek uitgekozen waar hij zijn aanval zou plaatsen, een demarrage van tweeënhalf, drie kilometer. Als 10 kilometerspecialist had hij de snelheid om het gat te slaan, en het herstelvermogen om daarna in hetzelfde tempo als zijn achtervolgers de voorsprong te consolideren. Dat was in Fukuoka gelukt. Moore en de anderen zagen Shorter pas bij de finish terug. Zij waren onder de indruk, mensen die alleen de eindtijd zagen – ruim vier minuten boven het wereldrecord – en niets wisten van de harde wind niet. Shorter vond het prima om enigszins onder de radar te opereren. Hij kon na die decemberdag in 1971 alleen maar denken hoe hij zo’n vergelijkbare, verrassende truc kon uithalen tijdens de olympische marathon.

Shorter had zich weer aangesloten bij de koplopers en liep langs het meer in het park, de Badenburger See. Hij was eerder die week nóg een keer op verkenning geweest. Hij zocht en vond het ziekenhuis waar hij in 1947 was geboren. Net na de Tweede Wereldoorlog werkte zijn vader Sam als arts in het Amerikaanse legerhospitaal in Wiesbaden. Het was er rauw en ruig, niet direct een plek om een kind op de wereld te zetten. Dus toen moeder Katherine voelde dat het zover was kon ze terecht in het ziekenhuis in München waar de Amerikaanse legertop werd behandeld. Met het bezoek aan zijn geboortegrond hoopte Shorter vijfentwintig jaar later een boost te krijgen zo vlak voor de olympische marathon, maar het hospitaal bleek een onbeduidende kliniek te zijn. Beelden uit zijn kindertijd drongen zich aan hem op, dreigende herinneringen. Het was zomers warm in München maar Shorter voelde slechts kilte. Het bezoek had averechts gewerkt. Hij maakte dat hij wegkwam. Elke gedachte aan zijn vader was er een te veel.

Net na een verfrissingpost met sponsen en bekertjes water passeerde de kopgroep Slot Nymphenburg. Shorter zag de fontein al. Dan was die U-bocht niet ver meer. Het ging gebeuren. Hij wist dat de anderen vermoedden dat hij weer een vroege demarrage zou plaatsen, maar Shorter dacht ook te weten dat niemand erop rekende dat hij hier al zou aanvallen op amper een derde van de afstand. Shorter geloofde dat het kon, nóg vroeger in de race dat gat slaan en de voorsprong dan vasthouden. Hij ging het in ieder geval proberen.

De voorste lopers verlaagden hun tempo om de scherpe bocht naar rechts te kunnen nemen. Shorter hield niet in, maar week uit naar de linkerkant van de groep en nam op snelheid de buitenbocht. Bij het uitkomen trok hij de gashendel open zoals hij eerder die week had gerepeteerd. Als een steen uit een katapult schoot hij weg. Binnen een paar honderd meter, bij het passeren van het 15 kilometerpunt, had hij een voorsprong van vijf seconden. Wolde en de Belg Karel Lismont waren de eersten van zeven achtervolgers. Shorter keek even later om. Het gat was al zeker een meter of vijftig. Van een echte achtervolging was geen sprake. Het was onmogelijk dat Shorter anderhalf uur lang de troepen voor kon blijven, meenden de andere favorieten. De koploper dacht er zelf anders over. Shorter versnelde nog eens.

Nu hij alleen op kop liep richting het 20-kilometerpunt in park Hirschgarten, dacht Shorter ineens aan het gesprek dat hij met Moore en Bacheler had gevoerd. Met de gijzeling en de moordpartij nog vers in het geheugen bespraken de drie landgenoten de reële kans dat ook zij doelwit van een aanslag konden zijn. Het was tenslotte nog steeds oorlog in Vietnam en Amerika stond er in de wereld niet goed op. Shorter was anti-oorlog, maar op de campus keek hij afkeurend naar de studentenprotesten. Die belemmerden het onderwijs, en belangrijker nog, ze verstoorden zijn trainingsprogramma. Maar dat was allemaal niet op zijn wedstrijdshirt te lezen. Daarop stond alleen met grote letters USA. Ze hadden er net zo goed een schietschijf op kunnen printen, dacht Shorter in een vlaag van angst en kwetsbaarheid, maar hij herpakte zich. Hij kende die gevoelens al een leven lang. Hij wist ook hoe hij er vanaf moest komen: zo hard mogelijk lopen. Na twintig kilometer had Shorter het gat geslagen dat hij vooraf in zijn hoofd had: een halve minuut. De achtervolgers hadden de pech dat Shorter op het nu bochtige parcours steeds uit zicht was, maar gedemotiveerd waren ze nog allerminst. Ze geloofden nog steeds dat deze olympische marathon de gebruikelijke last-man-standing- survival-contest was. Ondertussen was Shorter bezig met een keiharde baanwedstrijd, zijn voorsprong bleef groeien. Het was voor hem zaak dit vol te houden, hard te blijven lopen en de pijn te negeren. Shorter noemde het zelf ‘riding my pain’. Als marathonloper had hij dat de laatste jaren geleerd, als mens al vanaf zijn derde toen hij voor het eerst klappen kreeg van zijn vader.

Het was Shorters vroegste herinnering, hij huilde rennend op blote voetjes over heet asfalt. Zijn vader was woedend geweest omdat hij zijn luier had bevuild. De gesp van de riem waarmee kleine Frank werd afgeranseld zou hem, en later zijn broertjes en zusjes, nog veel vaker treffen. Als tweede van elf kinderen vond hij dat laatste nog het ergst. Dat hij de jongere kinderen niet altijd kon beschermen tegen het geweld. Zijn vader was altijd wel ergens woest om als hij thuiskwam van zijn werk.

Ergens zat nog de angst voor zijn vader.
Shorter wilde er ook niet mee te koop lopen.

Verstijfd lagen de kinderen in bed te wachten wiens naam op de trap al werd geschreeuwd en welke slaapkamerdeur openzwaaide. De avonden dat hij dronken was waren gek genoeg de minst erge. Dan sloeg hij zijn kinderen soms met het minst pijnlijke uiteinde van de riem, die zonder gesp, en raakte hij snel buiten adem. Gelukkig voor de kinderen maakte vader Shorter lange dagen, maar zodra de auto op de oprit stond was iedereen doodsbang en alert. Moeder Katherine probeerde haar kroost zo goed en zo kwaad als het kon te beschermen, maar ze keek ook weleens de andere kant op. Buiten het gezin durfde niemand erover te praten. Dat was zinloos. Niemand zou hen geloven. Dr. Samuel Shorter was in hun woonplaatsen een gerespecteerd man. Hij deed alles voor zijn patiënten. Tijdens de polio-epidemie werkte hij dag en nacht om de ziekte te bestrijden, mensen die het financieel moeilijk hadden ‘vergat’ hij een rekening te sturen. Thuis veranderde hij door het minste of geringste in een sociopaat. Shorter senior geselde zijn kinderen ook psychologisch: ze waren niks waard. Frank zocht zijn leven lang naar verklaringen voor zijn vaders gedrag, maar vond ze niet. Hij hield het erop dat sadisme in hun familie erfelijk was. Zijn grootvader, een optometrist werkend onder de slogan See Longer, See Shorter, was ook een keiharde, liefdeloze man. Franks oudste broer gooide een hakbijl naar hem, misbruikte een broertje seksueel en zat later een gevangenisstraf uit voor een vergelijkbaar vergrijp buiten de familie. Frank nam zich al vroeg in zijn leven voor dat de cirkel van geweld bij hem zou stoppen. Hij was zacht voor anderen, maar bikkelhard voor zichzelf. In de straten van München deed Shorter nu zichzelf én de anderen pijn. Zijn concurrenten probeerden nu uit alle macht iets van de achterstand goed te maken, maar het tegengestelde gebeurde. Na 25 kilometer op het Stiglmaierplatz bedroeg het verschil al meer dan 50 seconden, vijf kilometer verder ruim een minuut. Zijn tred was nog altijd soepel, met zijn linkerarm als dissonant lichaamsdeel. Die bewoog amper mee. Het was een overblijfsel uit de tijd dat hij als twaalfjarige in Middletown, – 100 kilometer boven New York City – naar school rende, zijn schoolboeken geklemd onder zijn linkerarm. Shorter vond het hardlopen fantastisch. Twee keer per dag voelde hij zich tijdens die drie kilometer volkomen vrij. Dan was er even geen angst en geen wantrouwen. Als hij later op de dag zonder boeken nog een stuk ging rennen door en rond Middletown keek de bevolking vreemd op. Die jongen van Shorter in zijn witte gymbroekje was zeker bijna te laat voor de film of honkbaltraining. Het was begonnen als training voor het skiën, maar al snel wilde Shorter alleen nog maar hardlopen, steeds verder en langer. Jaren later, toen hardlopen allang geen hobby meer was, liep hij tien jaar lang zeven dagen per week, 52 weken per jaar met een daggemiddelde van 27 kilometer. Zijn topweken telden in die periode 300 kilometers. Shorter liep ook vaak op hoogte, zeer ongebruikelijk voor die tijd.

Op 35 kilometer, met een voorsprong van bijna twee minuten, was het duidelijk dat niemand Shorter vandaag meer ging bijhalen. Hij werd de eerste Amerikaan in 64 jaar die goud won op de olympische marathon. Zijn overwinning bracht heel wat teweeg in Amerika. De race was van begin tot eind live te volgen geweest op ABC. Ruim twee uur lang zagen de miljoenen tv-kijkers een magere man met een hangsnor in een te wijd, wapperend shirt door München rennen. Die man won gewoon olympisch goud. Zo door het water scheren als zwemmer Mark Spitz die zeven keer goud won, of zo acrobatisch bewegen op vloer en balk als turnster Olga Korbut was te hoog gegrepen, maar in een lager tempo moesten ze toch kunnen wat die Shorter kon? Al in 1967 was het boek Jogging verschenen en groeide het aantal deelnemers aan marathons gestaag, maar na de zomer van 1972 was de aanwas op alle terreinen spectaculair. In 1969 bestonden er 44 marathons in de Verenigde Staten, in 1974 al 130. Tussen 1964 en 1974 verzesvoudigde het aantal deelnemers aan de Boston Marathon. Ook het niveau steeg: in 1970 liepen zevenhonderd Amerikanen de marathon binnen drie uur, drie jaar later was dat aantal ruimschoots verdubbeld. Het hielp ook dat Shorter en zijn Amerikaanse collega’s aanraakbare sporthelden waren. Ze waren overal te zien, liepen ook door toen hun loopbaan er allang op zat – Shorter staat als mid-zeventiger nog jaarlijks bij een aantal 10 km-wedstrijden aan de start. Hij en zijn vrienden straalden ook vrijheid en blijheid uit, jongens waarmee je een biertje kon drinken. Dat klopte ook. Shorter had met zijn twee ploeggenoten de avond voor de olympische marathon nog een halve liter bier soldaat gemaakt. ‘Run hard, party hard,’ was hun credo. Bij die biertjes hadden ze het over van alles, maar Shorter vertelde zijn maten nooit over zijn verschrikkelijke jeugd. Ergens zat nog de angst voor zijn vader. Shorter wilde er ook niet mee te koop lopen. Hij wilde geen misbruik maken van het misbruik. Hij werd openhartiger na het overlijden van zijn vader in 2008. Shorter was het niet van plan, maar als motivational speaker voor een groep jeugdige delinquenten kwam het er plots allemaal uit. Alsof hij had moeten wachten tot zijn vader dood was. Dat Dr. Sam echt niemand meer kwaad kon doen, ook zijn broertjes en zusjes niet. Toen een journalist Shorters verhaal opschreef en ook andere familieleden sprak, werd duidelijk dat het nog erger was geweest dan Shorter had dacht. In ieder geval bij twee zusjes – zes en dertien jaar oud – waren de zware mishandelingen overgegaan in verkrachtingen. Na zijn ontboezemingen begrepen zijn hardloopvrienden beter waarom hij soms wat afstandelijk en terughoudend was geweest. En waarom hij zo goed pijn kon verdragen. Wat was nou 42 kilometer en 195 meter afzien als je had meegemaakt wat hij meemaakte? Shorter zou ook in de jaren na zijn olympisch goud de concurrentie met tussentijdse sprints afschudden. Zo won hij de marathon van Fukuoka nog drie keer op rij. Ook bij de Spelen van 1976 in Montreal kon niemand zijn tempoversnelling beantwoorden, op één man na. De onbekende Oost-Duitser Waldemar Cierpinski stak op de Spelen twee keer boven zichzelf uit, in 1976 en 1980. Voor, na en tussen die twee olympische gouden medailles waren zijn resultaten hooguit middelmatig. Jaren later kwam Shorter de naam Cierpinski tegen in openbaargemaakte documentatie van het Oost-Duitse dopingsysteem. De Stasi-spion had als atleet nummer 62 op die lijst. Het was niet de reden dat Shorter jarenlang voor het Amerikaanse antidoping agentschap (USADA) zou werken, maar het speelde wel mee.

Op zondagmiddag 10 september 1972 was er om kwart over vijf nog even consternatie in het Olympiastadion in München. Het was niet Frank Shorter die als eerste de sintelbaan opdraaide. Een Duitse student in hardloopkleding en een startnummer op de borst was net voor Shorters komst over een hek gesprongen en liep een rondje door het stadion. Hij protesteerde met zijn actie tegen het ‘Gigantismus’ van de Spelen. Het publiek juichte hem eerst toe maar toen het doorkreeg dat een bedrieger het licht van Shorters prestatie wilde wegnemen klonk gefluit en boegeroep. Shorter was er bij binnenkomst even door verward, maar het kon hem weinig schelen. Zijn plan had gewerkt. Hij was de nieuwe olympisch kampioen marathon. Zijn vader had het mis gehad: hij was wel wat waard. Hij wachtte op Moore en Bacheler die vierde en negende werden en stelde voor dat ze na de huldiging naar de beergarten zouden gaan die ze onderweg waren gepasseerd. Die halve liter van de vorige avond moest snel een paar opvolgers krijgen. ••

Mystical Miles

Dit verhaal van Wiep Idzenga is te lezen in editie 5 van Mystical Miles. Bestel het losse nummer voor nog veel meer mooie verhalen of word abonnee en ontvang het magazine 4x op je deurmat.