Scum on the run

Scum on the run

Door: Leon Verdonschot

De volgende tekst is een fragment uit het interview van Robert-Jan Rietveld door Leon Verdonschot. Robert-Jan Rietveld a.k.a. Bertus, is één van de oprichters van Schorem Haarsnijders & Barbier in Rotterdam. Zij zijn ooit de barbier-trend begonnen in Nederland, misschien wel in de wereld. Bertus en Leen (zijn partner in crime) reisden (pre-Corona) als rocksterren over de wereld om hun barbieren-kennis (en stijl) te verspreiden. Dat leverde een hoop roem en aandacht op. Lekker. En soms ook niet. Robert-Jan is namelijk een veelgebruiker van het leven. Tot een paar jaar geleden gebruikte hij spullen die niet goed voor je zijn, tenminste, niet in de mate waarmee hij ze consumeerde. Tegenwoordig rent hij. Ook mateloos. Maar ach. Gelukkig rent hij. Beter voor hem en beter voor ons. Want het levert een verdomd mooi verhaal op.

“Hij is 46 nu, na jaren van het tegenovergestelde nu volledig clean, eet alleen nog plantaardig (‘terwijl ik niet eens zo’n achterlijke dierenliefhebber ben, ik vind koeien nog steeds vieze beesten, maar ik vind niet dat ik het recht heb om het finale oordeel over hun welzijn te vellen’), hij vast zestien uur per dag (‘en dan is zo’n eerste maaltijd van de dag om 12 uur lékker, man!’), en is zeer sportief. Tot zijn eigen verbazing, eigenlijk, dat laatste. ‘Ik ben zo ontzettend niet-sportief geweest, mijn hele leven. Of nou ja: ánders sportief. Het was jarenlang voor mij alleen maar skateboarden, en ik heb sowieso nooit iets gehad met competitie, of met sporten waar jurering aan te pas komt. Ik kom best wel uit een – hij zet een geaffecteerd accent op – gegoed gezin. Vooral mijn moeder vond dat ik moest leren tennissen, zodat ik later een ‘balletje kon opslaan met een collega’ – zo’n nest, weet je wel. Een blauwe maandag heb ik inderdaad op tennisles gezeten, maar dat vond ik kut. En sporten op school vond ik ook de hel. En dan helemaal de coopertest: als een zoutzak liep ik helemaal achterin. Ik was ook dik, kon niet touwklimmen en had een dikke bril. En dus werd ik gepest. Dus vond ik de kleedkamer ook een kutplek. Als ik nou nog een lul tot op mijn knieën had, had ik in ieder geval breed kunnen staan onder de douche, maar die had ik ook niet. Ik was nergens voor te porren op sportgebied, tot skateboarden in mijn leven kwam. Daar is al mijn zakgeld in gaan zitten, en tegelijk heb ik daar mijn middelbare schoolcarrière mee verneukt, want tien uur per dag was ik buiten. Ik vond dat zó gaaf. Later heb ik die liefde alleen nog een tijdje gehad voor bowlen, toen ik ontdekte dat je dat ook vaker kunt doen dan eens per jaar op je verjaardag. En dat je daar mag sporten met bier en bittergarnituur hielp ook wel – that’s my kind of sport! Die liefde was opeens ook weer over; volgens mij liggen mijn bowlingballen nog steeds in het kluisje van dat bowlingcentrum.

Hardlopen had ik vroeger wel eens gedaan, maar serieus werd het pas in de Schoremtijd. De eerste keer was letterlijk tot de hoek van de straat, en toen moest ik bijna kotsen.’”


Lees het hele verhaal in Mystical Miles Magazine #1

Lopen naar verlichting

Lopen naar verlichting

Tekst & beeld: Inneke Albers

Na een lange reis over de werekd en door de instituties ben ik eindelijk waar ik wilde zijn: in de duisternis, de verblindende duisternis, van half 3 ‘s nachts op een Japanse berg.

Tussen de dicht opeenstaande dennenbomen zie ik het zwakke licht van de grote tempel, verder is alles zwart. In de verte klinkt herhaaldelijk een typisch geluid. Klap, klap … klap, klap … klap, klap. Steeds weer drie keer twee klapjes, met tussenpozen herhaald, de ene keer zwak en heel ver weg, dan weer lijkt het heel dichtbij. Het is geen nachtdier, maar het handgeklap van vier monniken en ik sta op ze te wachten.

Dan opeens duikt er uit de donkerte die mij omringt een engelachtige verschijning op, veel dichterbij dan ik had verwacht. Het is een gestalte in het wit die ter hoogte van zijn borst een felle, wild slingerende lamp draagt waarmee hij opgeschrikte lichtgeesten door het bos doet fladderen. Eerst ben ik degene die zich wezenloos schrikt, en enige seconden later, wanneer de engel mij in het oog krijgt, schrikt hij zichtbaar van mij. Hij richt zijn lamp even op mij en is meteen gerustgesteld: o ja, de Nederlandse. Vlug wendt hij zijn blik weer af; hij pakt zijn rozenkrans en beweegt de houten kralen tussen zijn handen langs elkaar. Dat maakt een ratelend geluid en dat geluid zal de honderden mantra’s die de vier boeddhistische kaihōgyōmonniken vannacht reciteren voortdurend begeleiden. Rrrrr-rrrr-rrrr oembadah-oembadah-oembadah rrrrrr- rrr oembadah-oembadah-oembadah-jàh … klap, klap … klap, klap … klap, klap. Intussen zijn ook een tweede en een derde monnik aangekomen op de plek waar ik sta en het geratel van hun rozenkransen, het gemurmel van hun stemmen en het geklap van hun handen lijkt nu van alle kanten te komen, alsof ook de bomen aan het bidden zijn geslagen. Hier worden goden vereerd die ik niet ken, op een manier die mij volkomen vreemd is.

De kaihōgyō (de oefening van de rondgang over de berg) is een pelgrimage langs een gedeelte van de vele honderden heilige plaatsen op een berg die als geheel als heilige ruimte geldt. Het is een esoterisch en geheim ritueel, dus eigenlijk is het niet de bedoeling dat er toeschouwers bij zijn; ik heb dan ook behoorlijk moeten aandringen om hier midden in de nacht te mogen staan. De monniken worden verondersteld op hun nachtelijke tochten alleen te zijn en contact te leggen met het goddelijke door het reciteren van mantra’s, begeleid door mystieke handgebaren die mudra’s heten.

Marathonmonniken werden ze door John Stevens genoemd in het enige boek in het Engels dat over hen is verschenen. Dat is enerzijds misleidend, want bij het woord marathon stellen wij ons rennende atleten voor, die met een gemiddelde snelheid van ergens tussen de 10 en de 20 kilometer per uur een parcours van 42 kilometer over een min of meer vlak terrein afleggen, enkele keren per jaar en in wedstrijdverband. De kaihōgyōmonniken op de berg Hiei bij Kyoto rennen niet, maar houden een straf wandeltempo aan en dat kan ook niet anders, want het terrein waarop ze lopen bestaat uit hellingen die voor een deel te steil zijn om te rennen. De afstand die ze afleggen, is ongeveer 35 kilometer, niet enkele keren per jaar, maar honderd nachten achtereen. Ze vertrekken om een uur of een ‘s nachts, en rond acht uur ’s morgens zijn ze weer thuis. Dan nemen ze een bad en eten ze een ontbijt, om dan te beginnen aan hun dagtaak, want het is niet zo dat wie ’s nachts 35 kilometer over de berg heeft gelopen, overdag zou mogen slapen. Pas tegen een uur of zes ’s avonds eindigt de dag en kunnen de monniken van een paar uur rust genieten. Om middernacht moeten ze weer in de tempel zijn om te bidden tot Fudō Myō-ō, de godheid van de kaihōgyō en daarna gaan ze weer op weg. Dat gaat zo van eind maart tot begin juli, nacht na nacht, en op een heel sober en strikt vegetarisch dieet. Van competitie is geen sprake, hier wordt gelopen voor verlichting van de geest. Onderweg moeten ze bovendien op ruim 250 plaatsen voorgeschreven rituelen verrichten.

Hun mond zingt het lied waarop hun handen dansen om de God in zijn nachtelijke eenzaamheid te plezieren.

Anderzijds is de betiteling marathonmonniken volstrekt op haar plaats, al zou ultramarathonmonniken misschien nog beter zijn: de lichamelijke inspanning die hier wordt geleverd, is er een van de lange duur, waarbij het niet gaat om snelheid, maar om uithoudingsvermogen. En wat uithoudingsvermogen betreft, zijn de kaihōgyōmonniken waarschijnlijk tegen alle andere duursporters opgewassen.

Toen ik voor het eerst de kaihōgyōmonniken in levende lijve zag, was ik perplex. Het was heel anders dan ik me had voorgesteld aan de hand van de boeken en films over de monniken. De intense duisternis, de engelachtige, bijna transparante figuren die opeens tussen de bomen opduiken, het handgeklap dat je al hoort opklinken in de stilte lang voordat de monniken te zien zijn, het mantragemurmel en het ingewikkelde ballet van mudra’s dat de monniken opvoeren met hun handen, van dat alles kun je je geen voorstelling maken zonder er zelf bij te zijn geweest.

Deze lopers denderen niet puffend en hijgend, ploeterend en stampend, zwetend en dampend door tot ze bij de eindstreep zijn. Zij moeten om de paar minuten stoppen om een godheid in volledige kalmte en met al hun aandacht aan te spreken met precies de goede woorden en precies de goede gebaren. Hun mond zingt het lied waarop hun handen dansen om de god in zijn nachtelijke eenzaamheid te plezieren.

De katoenen kleding ‒ dierlijke vezels zijn taboe voor boeddhistische monniken ‒ is wit, de kleur van de dood, en aan zijn blote voeten draagt de monnik strosandalen die uit niet meer bestaan dan een zool en wat touwtjes. Daarvan worden er alleen al tijdens de honderddagenkaihōgyō tientallen paren versleten; de kapotte sandalen worden niet meteen weggegooid maar zolang de monnik bezig is met zijn pelgrimage opgehangen aan de buitenmuur van zijn verblijf. Wie de stenige paden ziet waarover ze in het donker op vrijwel blote voeten hun weg moeten zoeken, begrijpt dat er ook een flinke voorraad pleisters doorheen gaat.

De monniken die ik zag waren leerlingen die de honderddagenkaihōgyō deden als onderdeel van hun opleiding. De echte kaihōgyō duurt echter duizend dagen. Wanneer een monnik aan de duizenddagenkaihōgyō wil beginnen, moet hij bereid zijn om zich twaalf jaar terug te trekken in het klooster Mudō-ji. In die periode mag hij de berg niet verlaten anders dan in het kader van de kaihōgyō. De screening vooraf door de leiding van het klooster is bijzonder streng, want voor wie eenmaal is begonnen, is er geen weg terug. Stoppen is geen optie, en opschorting wegens ziekte of een ernstige blessure ook niet; de duizenddagenkaihōgyō is heel letterlijk een zaak van leven en dood. Niet alleen omdat de route zo gevaarlijk is of omdat de monnik door de fysieke en psychische stress tot op de rand van de absolute uitputting terecht komt, maar vooral omdat hij zich vooraf heeft verplicht om zelfmoord te plegen wanneer hij aan de pelgrimage is begonnen en die niet kan volbrengen. Een gebroken been is een doodvonnis. Sinds het begin van de twintigste eeuw zijn er echter, naar verluidt, geen sterfgevallen meer geweest door ongelukken, uitputting of zelfmoord. De officiële verklaring daarvoor is dat de monniken die toestemming krijgen om aan de duizenddagenkaihōgyō te beginnen zo vastbesloten zijn om hun taak te volbrengen, dat het altijd lukt. Dat lijkt me sterk, dus er zal wel ergens een mouw aan gepast worden wanneer dat nodig is. Ondanks die gruwelijke voorwaarden zijn er toch nog steeds monniken die de uitdaging op zich nemen: de abt die ik ontmoette was de dertiende – en op dat moment (2010) laatste – monnik van na de Tweede Wereldoorlog die de duizenddagenkaihōgyō volbracht.

De duizend pelgrimages worden verdeeld over een periode van zeven jaar. In de eerste drie jaar wordt ieder voorjaar weer het programma van de honderddagenkaihōgyō gevolgd (in het voorjaar 100 nachten achter elkaar een tocht van 35 kilometer over de berg). Deze drie jaar worden beschouwd als de trainingsperiode, want in het vierde en vijfde jaar begint de grote uitdaging en moeten er telkens tweehonderd pelgrimages achtereen worden gemaakt, zodat de monnik ook gedurende de hele natte en warme zomer zijn nachtelijke tochten over de berg moet maken. Na vijf jaar zijn er zo zevenhonderd pelgrimages over de berg gemaakt.

In het zesde jaar wordt er weer honderd dagen gepelgrimeerd, maar nu 60 kilometer per dag, gedeeltelijk over een zeer steil parcours, en met 260 staties. Dat betekent dat er veertien tot vijftien uur per etmaal gelopen moet worden, steeds weer vanaf kort na middernacht. In het zevende en laatste jaar staan er twee pelgrimages van honderd nachten op het programma, en ook deze nachten duren tot ver in hun dagen. Tijdens de eerste pelgrimage, de Kyoto ōmawari (het grote circuit van Kyoto) geheten, wordt honderd keer bijna 80 kilometer gelopen. Deze route voert door de stad en naast zijn stops bij de meer dan driehonderd staties, moet de monnik tijdens zijn tocht ook voortdurend stilhouden voor mensen die door hem gezegend willen worden. Die zegening bestaat uit een flinke tik met de houten rozenkrans op het hoofd en op de beide schouders van de gelovige. Op deze zwaarste van alle routes krijgt de monnik de hulp van duwers, mensen die achter hem lopen en hem met een gewatteerd plankje op een stok voortduwen. Dat is voor de buitenstaander een komisch tafereel, maar een geoefende duwer kan een grote hulp zijn voor de kaihōgyōmonnik.

De tweede serie van honderd dagen voert weer over het reguliere circuit van 35 kilometer en vormt de afsluiting van de duizend dagen, waarmee de pelgrimage is voltooid. Alleen worden er van die laatste honderd dagen maar vijfenzeventig gelopen, omdat ‘het niet goed is volmaaktheid na te streven’. De monnik is door zijn heroïsche onderneming weliswaar Daigyōman Ajari (Heilige Meester van de Hoogste Beoefening, in de volksmond ‘levende boeddha’) geworden, maar toch net niet helemaal; het is hem vergund ook een onvolmaakt mens te blijven. ••

Mystical Miles

Dit verhaal van Inneke Albers is te lezen in editie 2 van Mystical Miles. Bestel het losse nummer voor nog veel meer mooie verhalen of word abonnee en ontvang het magazine 4x per jaar op je deurmat.

Schoenen

Schoenen

Tekst: Ernest van der Kwast // Beeld: Sander Foederer – Bram Kloos

Ernest van der Kwast is presentator, interviewer, schrijver, columnist, programmamaker en fanatiek hardloper.

De voormalige Filipijnse presidentsvrouw Imelda Marcos had ooit drieduizend paar schoenen, waaronder talloze pumps en stiletto’s van merken als Chanel, Dior en Gucci. Naar verluidt zat er geen enkel paar hardloopschoenen bij. Wel heel veel pantoffels, waar je natuurlijk ook prima een sprintje op kan trekken. Toen ze in 1986 moest vluchten voor het volk, koos Marcos evenwel voor een paar espadrilles van het merk Nordstrom.

Zelf heb ik zeven paar hardloopschoenen. Voor de baan, voor de weg, voor trails. Alleen bij wedstrijden heb ik keuzestress. Welk paar is het geschiktst voor een tien kilometer? Welk paar voor de marathon?

Lange tijd was de Adizero Adios Pro mijn favoriete schoen voor lange afstanden. Toen dit paar versleten was, stapte ik over op de opvolger: de Adizero Adios Pro 2. Maar dit model beviel veel minder goed, veroorzaakte zelfs kramp onder de voet. Het eerste model was nergens meer te verkrijgen, behalve via een Amerikaans online platform. Mijn maat kostte 613 dollar. Ik besloot te veranderen van merk.

De hardloper en zijn schoen. Soms is het een geslaagd huwelijk, maar het kan ook tot een behoorlijke crisis leiden. Bij de WK atletiek in Eugene stapte Abdi Nageeye uit tijdens de marathon. ‘Ik had niet voor deze schoenen moeten kiezen,’ zei hij nadat hij een kilometer voor de finish had opgegeven. ‘Het was het allernieuwste model van Nike, maar ik stuiterde er te veel op.’

Nageeye had zich laten overtuigen door zijn sponsor die hem de Alphafly had aanbevolen. Tweemaal had hij erop getraind en beide keren ging het prima, maar bij de start van de marathon zag hij dat hij de enige was die deze schoen aan had, ‘en dat ging meteen in mijn hoofd zitten.’

‘Shit, waarom draagt de rest ze niet?’ was de vraag die door het hoofd van Nageeye spookte. Geen enkele concurrent die bij dezelfde sponsor onder contract stond had besloten met het nieuwste model te experimenteren.

Nageeye kon niet meer van schoenen wisselen: ‘Er zaten drie dezelfde paren in mijn tas.’

Zo kregen we niet alleen een kijkje in het hoofd van de marathonloper, maar ook in zijn tas. Drie paar reserveschoenen – een heel bijzonder aantal. Wat zou er nog meer in de tas hebben gezeten? Hoeveel reservesokken? Hoeveel singlets? Zou er ook een tandenborstel in de tas hebben gezeten? Een rol wc-papier?

De Russische schrijver Isaak Babel betaalde prostituees om te mogen kijken in hun handtas. Hij hoopte zo meer over hun leven te weten komen, hun geheimen. Van Abdi Nageeye weten we alleen dat hij drie paar reserveschoenen in zijn tas had. Kennen we hem nu beter? Kunnen we concluderen dat hij een obsessie voor hardloopschoenen heeft? Of hebben andere toplopers ook altijd een tas vol reserveschoenen bij zich?

De vraag is natuurlijk of Nageeye wél een WK-medaille had gewonnen wanneer hij op het vorige model van Nike had gelopen. Maakt de schoen de loper? Of doet de loper er goed aan om eens met een psycholoog te praten?

Onderzoekers van de universiteiten van Swansea en Ulster publiceerden in 2018 een studie in Psychology of Sports and Exercise waaruit bleek dat renners die glimlachen minder zuurstof gebruiken dan renners die fronsen of moeilijk kijken. Ook liepen ze efficiënter en ervoeren minder inspanning dan lopers met rimpels in het voorhoofd.

Nageeye vertelde aan de pers dat hij de hele wedstrijd bang was dat iemand op zijn hakken zou stappen. Een voorhoofd vol voren.

Toen Eliud Kipchoge zijn wereldrecord liep in Berlijn, had hij elf marathons op negen verschillende schoenen gelopen. Toen hij het zwaar kreeg, begon hij te glimlachen. Hij dacht aan de eindstreep. Denk nooit aan schoenen. ••

Mystical Miles #7

Deze column van Ernest van der Kwast is te lezen in editie 6 van Mystical Miles. Bestel het losse nummer voor nog veel meer mooie verhalen of word abonnee en ontvang het magazine 4x per jaar op je deurmat.

Ode aan het startpistool

Ode aan het startpistool

Tekst: Hans Koeleman // Beeld: Alamy

Het is een van de mooiste rituelen in de sport. Het luide commando, altijd traag uitgesproken, ‘op uw plaatsen’, het uitgerekte ‘klaar’, de dodelijke stilte, en dan ‘boem’.

Er was eens een wijze vrouw die vertelde dat een pistool in staat was twee dingen met een mens te doen: die mens doodmaken of die mens tot leven wekken. In het ene geval was het pistool een gewoon wapen met een kogel erin. In het andere was het een ingewikkeld mechanisch apparaat dat een hard geluid kon maken en bij een startstreep een menigte liet weten dat het tijd was om op avontuur te gaan.

Het startpistool, voor het eerst gebruikt op de Olympische Spelen van 1904 in St. Louis, is met de veiligheidsspeld (om het startnummer op te spelden) een relikwie uit oude tijden, een museumstuk dat kennelijk nog steeds geen adequate opvolger heeft.

Dat het startpistool zijn intrede deed in St. Louis is geen verrassing. Het Wilde Westen was niet ver. Eerder gebruikte methodes om een wedstrijd te starten, of in ieder geval deelnemers te laten weten dat ze weg konden, waren te complex of werkten niet altijd: de fluit raakte zoek, de landing van de speer (!) werd niet gehoord, het schallen van de hoorn vereiste training en techniek. De aloude Griekse uitvinding, de hysplex, een methode waarbij twee dikke touwen over de startstreep werden gespannen – de ene op borst-, de ander op kniehoogte – werkte lang goed (en maakte het onmogelijk vals te starten) totdat atleten zo snel gingen reageren op het wegvallen van de touwen dat ze struikelden.

Toen was daar het startpistool, met een dichte loop en een losse flodder erin. Dit laatste fenomeen schijnt voor het eerst gebruikt te zijn door soldaten die in 1914 bij de grens het land bewaakten tegen een eventuele Duitse inval. Een ‘flodder’ was een patroon, een kogel. ‘Los’ betekende dat het geen direct nut had. IJverige studenten gaven al snel aan dat tijdwaarneming door juryleden ver van de start niet accuraat kon zijn omdat het geluid van de knal hen pas tienden van seconden bereikte. Geluid beweegt relatief traag, zeker in koud weer. Het antwoord was snel gevonden: een rookpluimpje, zichtbaar direct na het afschieten. Eenieder kan dit fenomeen nog steeds bekijken bij elke atletiekwedstrijd, groot of klein: rookpluim, even niets, knal.

Het is een van de mooiste rituelen in de sport. Het luide commando, altijd traag uitgesproken, ‘op uw plaatsen’, het uitgerekte ‘klaar’, de dodelijke stilte, en dan ‘boem’.

De kanonnen die vele wegwedstrijden tegenwoordig hebben als startmiddel klinken indrukwekkend, maar geef mij het pistool maar. Opgeborgen in een velours kistje, een zijden doekje erbij om het mooi te laten glimmen, de losse flodders in de voorgevormde gaatjes ernaast. Juweeltje.

Meest illustere gebruik van een startpistool? Wellicht die keer toen Cesar Chavez alle zes de kogels in snelvuurtempo afschoot om een lokaal wedstrijdje in South Carolina te starten. Ik vroeg hem na afloop waarom hij het pistool op een boom gericht had, niet in de lucht zoals gebruikelijk. Het startpistool was na de vorige run kwijtgeraakt en hij had de Colt van zijn buurman geleend. Kogels omhoog, zei hij, dalen weer. Gelukkig zijn de wedstrijden in onze contreien wat minder Wild West. De knal, en de daaropvolgende stormloop van mensen, blijft echter een heerlijk fenomeen. ••
Mystical Miles #7

Dit verhaal van Hans Koeleman is te lezen in editie 4 van Mystical Miles. Bestel het losse nummer voor nog veel meer mooie verhalen of word abonnee en ontvang het magazine 4x per jaar op je deurmat.

Klei en slib en gedachten

Klei en slib en gedachten

Tekst & beeld: Lidewey van Noord

Ten oosten van de Iessel is ’n ei gien lege dop in het land van de wiezen komp de zunne op.

Op kindertekeningen is water blauw, nooit het grijsgroen van de ijssel op deze winterse ochtend. Blauw, net als de hemel. En het gras is groen, de zon geel, de wolken zijn wit. Bomen hebben bruine stammen en takken. Tekenen kinderen de wereld op die manier omdat we het ze zo leren? Is dit wat we ze vertellen? Een volwassen vinger wijzend naar een kleurplaat: ‘dat is water. Dat moet je blauw maken.’ of gaat het anders? Denken we allemaal dat dit waarheden zijn omdat kinderen het zo tekenen?

Deze ochtend lijkt in niets op een kindertekening. De stad met haar eeuwenoude grijze en bruine torens is haast geheel verzwolgen door de mist. De oevers zijn bruin, harig bijna, alsof ze onder een wintervacht zijn weggedoken. Het gras van de berijpte weilanden is niet het diepgroen uit het pakje kleurstiften, ook niet het frisgroen, maar een vale mintkleur. Er zijn wolken, maar niet de kringelige witte wolkjes die met vier poten en een kop schapen zouden worden. Het is een zwaar, dik, grauw wolkendek. Over de zon hoeven we het niet eens te hebben. Niet alleen gaat hier een rivier traag door oneindig laagland, ‘de lucht hangt er laag en de zon wordt er langzaam in grijze veelkleurige dampen gesmoord’. H. Marsman wist het ook, dat holland zelden op een kindertekening lijkt.

Meer dan onze heuvels, die heuvels heten maar die naam nauwelijks waarmaken, spreken onze rivieren tot de verbeelding. Een rivier is altijd in beweging, stroomt zoals het leven stroomt, brengt leven, herbergt leven, voedt leven. Volgens plato viel de filosofie van de presocratische griekse filosoof herakleitos samen te vatten in twee woorden: πάντα ῥεῖ (panta rhei), alles stroomt. De werkelijkheid is als de stroom van een rivier, zo meende herakleitos: alles wijkt, niets blijft. ‘op wie in dezelfde rivier stapt, stroomt steeds weer ander water toe.’ misschien is het wel daarom dat rennen over de rivierdijk, over eeuwenoude paden langs de oevers ruimte schept in je hoofd, alsof overtollige gedachten in een heel natuurlijk tempo door het water worden afgevoerd, naar de zee, waar gedachten van mensen die langs de loop van de rivier naar het water hebben geke- ken – van een geitenhoeder in de alpen tot een zutphense hardloper – samenkomen, zich vermengen en langzaam naar de bodem zinken, als sedimenten van de ziel.

De ijssel is geen imponerend brede rivier maar een smalle met grote meanders. Anders dan bijvoorbeeld de waal en de maas, die op het landschap lijken te liggen, beweegt de ijssel zich op sommige plekken door een comfortabel dal dat ze zelf heeft ingericht. Overal waar je haar bezoekt, ziet ze er weer anders uit, ligt ze in een andere houding. Waar de waal een uitgebalanceerd, standvastig karakter heeft, zit de ijssel vol verrassingen. Het maakt haar mooi én het maakt dat ze meer op het stromende leven lijkt dan haar gedweeë grote zussen.

Een natuurlijke grens

De mens heeft behoefte aan grenzen, omdat die een gevoel van veiligheid geven. We bouwen muren om onze steden, hekken om ons land, schuttingen om onze huizen, kamers in onze woningen. Wat binnen onze grenzen ligt, is vertrouwd en eigen. Het is een dierlijk verlangen naar beschutting, naar een plek om ons terug te trekken, een donker hol van waaruit we de vijand kunnen zien naderen. De vele rivieren die strepen door ons landschap trekken hebben we dankbaar als grenzen aangenomen. Ze vormen een ideale verdedigingslinie, een natuurlijke barrière tussen stammen, religies, talen en dialecten. Zo ook de IJssel. De Drentse zanger en componist Daniël Lohues schreef een lied met de titel Ten Oosten van de Iessel. Het refrein luidt:

Ten Oosten van de Iessel
is ’n ei gien lege dop
In het land van de wiezen komp de zunne op

Bij de IJssel begint het oosten, het land van de zon en de wijzen waar alles beter is dan in het westen.

De IJssel is een dame met een wat ingewikkelde afkomst. Van de meeste rivieren ligt de bron hoog in de bergen. Ze beginnen als een stroompje smeltwater, worden een kabbelend beekje, zwellen steeds verder aan, glijden door half Europa naar het laagste punt: Nederland. Romantici noemen Nederland één grote rivierdelta, niet-romantici spreken met haast sardonisch genoegen over het afvoerputje van Europa. De Rijn, die ontspringt in de Zwitserse Alpen, is de voormoeder van de IJssel. Die voert haar vervolgens in haar buik mee naar de grens met Nederland, waar zij zich splitst in de Waal en de Nederrijn. Dat is bijzonder, een rivier die zich zo ver voor de zee vertakt. Zo’n tien kilometer verderop, bij Westervoort, vertakt de Nederrijn zich opnieuw. Daar baart zij de IJssel, een wat onstuimig, eigenwijs kind. Slingerend en diep trekt zij noordwaarts, langs uitgestrekte landbouwgronden, kleine dorpen, bossen en houtwallen, langs de Hanzesteden Doesburg, Zutphen, Deventer, Hattem, Zwolle en Kampen, om zich via het Kattendiep en het Keteldiep in het Ketelmeer te laten glijden en ten slotte onder de Ketelbrug door in het IJsselmeer te verdwijnen.

Ten tijde van koningen

Stad en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Waar rivieren land met zee verbonden ontstonden steden. Vervolgens groeven mensen sloten en kanalen om die steden te verbinden met andere dorpen, steden, boerderijen, rivieren en zeeën. Zo’n vijftienhonderd jaar geleden – in de tijd dat op ons grondgebied Frankische en Friese koningen er met hun legers op uit trokken om Denen op strooptocht een halt toe te roepen – stopte de IJssel nog bij Zutphen, een kleine Germaanse nederzetting op een paar duinen, een bult in het landschap waar de IJssel niet overheen kwam.

Er was wel een ander riviertje bij Zutphen, de Berkel. Die ontspringt in Duitsland, stroomt via Eibergen, Borculo en Lochem naar Zutphen en mondt daar vandaag de dag in de IJssel uit. Vijftienhonderd jaar geleden, toen het Rijnwater nog niet over de Zutphense duinen kwam, stroomde de Berkel zuidwaarts richting Doesburg, om bij Arnhem in de Rijn uit te komen. Bij hoogwater ontmoetten de Berkel en de Nederrijn elkaar, maar omdat het water door de horde bij Zutphen nergens heen kon, ontstond er in de huidige IJsselvallei een enorme plas met Zwitsers smeltwater en Duitse regen. Klei en slib en gedachten die de rivier onderweg had meegesleurd bezonken daar en door al die sedimenten werd het gebied langzaam opgehoogd. Rond 500 kwam het water voor het eerst zo hoog dat het over de bult bij Zutphen stroomde, naar Deventer, en daar weer naar beneden holde, richting het Aelmere, de binnenzee die op de plek lag waar later de Zuiderzee ontstond en nu het IJsselmeer ligt.

Heel langzaam maar heel zeker sleet het Rijnwater gedurende honderden jaren bij een hoge waterstand de bult bij Zutphen af en steeds als het water daar overheen kwam en het op snelheid weer naar beneden liep, sneed het dal zich dieper in het landschap, net zo lang tot er vanaf Zutphen niet langer een rivier van noord naar zuid stroomde, maar het Rijnwater naar het noorden begon te lopen. De IJssel had zich in het landschap gevestigd en dat gaf een enorme impuls aan de groei van de nederzettingen in het gebied. Er was nu een waterweg die hen niet alleen met elkaar verbond, maar ook met de Rijn én de Waddenzee. De IJssel opende de wereld, waardoor Deventer en Zutphen zich tot steden konden ontwikkelen.

 

Soms gaat de hardloper hier even gelijk op met de vrachtschepen die veel te groot lijken voor de IJssel en de rivier iets statigs geven.

Natte voeten

De zee kent eb en vloed, rivieren kennen hoog- en laagwater. Ook de IJssel. Wil er veel water naar de zee, dan overstromen de uiterwaarden, krijgt het landschap natte voeten. Staat het water laag, dan drogen ze weer. Sommige soorten gedijen bij die afwisseling van nat en droog omdat ze dol zijn op rivierklei. Sikkelklaver bijvoorbeeld, met de mooie gele bloemetjes. En slijkgroen, een lieflijk maar robuust ogend plantje dat in bloei lichtpaarse klokjes draagt. Dan is er nog de kattenstaart die met zijn grote roodpaarse bloemen langs de oevers om aandacht schreeuwt. De muurpeper, een vetplantje, is stiller, blijft laag bij de grond, tot hij met zijn knalgele bloemetjes opeens je blik vangt. Ook vele vogels voelen zich thuis in de IJsselvallei. Op de borden die de vaargeul aangeven drogen aalscholvers hun vleugels. Meeuwen rusten, observeren hun omgeving. Aan de oevers staan reigers en zilverreigers in het water te turen. Op een paal in een aangrenzend weiland rust een buizerd, iets verderop struint een fazant door het gras. Hoog in de lucht bidt een torenvalk. Wie geluk heeft ziet een dodaars of een ijsvogel. In de heggen schuilen braamsluipers, in het riet op de oevers zingt de rietgors. Bij Cortenoever, bij Brummen, liggen de kronkelwaarden. Hier leeft een van de zeldzaamste vogels van ons land: de kwartelkoning. De vallei wordt gevrijwaard van begroeiing en opengehouden voor het water door toegewijde groepen beheerders: Schotse hooglanders en IJslandse paarden.

Voetstappen over de dijk, rennen in het tempo van de rivier. Soms gaat de hardloper hier even gelijk op met de vrachtschepen die veel te groot lijken voor de IJssel en de rivier iets statigs geven. Nog altijd is ze in gebruik, deze sierlijke oerweg, deze reden dat al die steden in dit landschap zijn gegroeid. Na het lopen, als de rivier alle overtollige gedachten heeft afgevoerd en er alleen nog schoonheid is, schoonheid en vermoeidheid, kom je terug in de stad. Lohues zingt:

En dan uuteindelijk,
a’j aal mar deurgaon
Ko’j bij weer bij ’t begun terecht, opzich
En dan wee’ j dat de halve wereld
Ten Oosten van de Iessel lig

Vanaf de andere oever leek Zutphen, een van de oudste steden van ons land, opgeslokt door de kille mist, maar eenmaal terug in haar warme schoot blijkt ze stand te hebben gehouden, nog altijd die veilige haven te zijn. In de Middeleeuwen werden hier om tien voor tien ’s avonds de klokken geluid. Een aansporing om snel naar huis te keren, omdat de stadspoorten om tien uur sloten. Ook vandaag de dag luiden de klokken nog om tien voor tien. Dat gelui horen in de wetenschap dat je binnenspoorts bent, dat de kinderen al in bed liggen te slapen, hun kleurrijke tekeningen op de koelkast geplakt, geeft zelfs nu nog een gevoel van geborgenheid. ••

Mystical Miles #7

Dit verhaal van Lidewey van Noord is te lezen in editie 4 van Mystical Miles. Bestel het losse nummer voor nog veel meer mooie verhalen of word abonnee en ontvang het magazine 4x per jaar op je deurmat.

Namibia – een fotoreportage van Barbara Kerkhof

Namibia

Fotoreportage Barbara Kerkhof

Rennen in Namibië is rennen in een eindeloosheid die ik in Nederland niet ken. Een brede weg loopt van A naar B en zelf waai ik wat met de wind mee. Als de zon begint te zakken, hoop ik dat we het juiste pad hebben gekozen. Zodat we, als het donker wordt en er overal ogen loeren, verder met de auto naar de stad kunnen hotseflotsen over een zandweg vol kuilen en stenen. Rennen in Namibië is ook droogte en dorst, het is steken gras dat overal tussen je schoenen en sokken en je tenen gaat zitten prikken. Maar vooral is het een ervaring, soms onder een helrode hemel, soms met uitzicht op de Gamsberg, soms onder een blikkerende zon, met de geur van welkom en woestijn en een glimlach die niet van je gezicht te wissen is.

Ik mag hier af en toe heen als fotograaf van het Africa Millitmetre Project. Een radiotelescoop, vlakbij de Gamsberg, die gebouwd wordt door het Radboud Radiolab van de Radboud Universiteit Nijmegen in samenwerking met de Universiteit van Namibië (UNAM). Deze Event Horizon Telescope maakt onderdeel uit van een wereldwijd netwerk van telescopen, waarmee betere beelden gemaakt worden van zwarte gaten, ergens out there.
Ik voelde me daar al een klein, miniem stipje in een overweldigend leeg en woest landschap, maar het idee dat er boven, onder en om ons heen nog honderden miljoenen sterrenstelsels zijn, maakt dat ik me niets anders kan voelen dan een enorme geluksvogel. Hier en nu. Want dat is alles wat er is.

Meer zien van Barbara Kerkhof? Volg haar op Instagram.

Mystical Miles #7

Deze reportage van Barbara Kerkhof vind je in editie 5 van Mystical Miles. Bestel het losse nummer voor nog veel meer mooie reportages en verhalen of word abonnee en ontvang het magazine 4x per jaar op je deurmat.

Espresso Running

Espresso Running

Door: Paul Vorwerk

Paul Vorwerk, schrijver van het boek Mystical Miles, neemt ons mee op een lange, lange run door de nacht, van zonsondergang tot zonsopgang, langs de baai bij kaapstad, voortgedreven door visioenen van kopjes espresso die aan het eind op hem wachten.

Even na middernacht begon het fris te worden, ik kon het voelen in mijn borst. Een kille wind kwam plots vanuit de baai waarlangs ik al een
tijdje aan het lopen was. Een dunne mist hing rond de straatverlichting.

Dit was een lange, maar easy run, geen wedstrijd. Ik stopte en haalde een windjack uit mijn rugtasje. Niet te veel tijd nemen, fluisterde ik mezelf toe, het keerpunt van de run was nog steeds een paar kilometer verder weg. Daar zou ik wel de tijd nemen om op adem te komen en energie op te doen voor de weg terug.

Nee, het was geen wedstrijd en daarom ook geen kwestie van extreme toewijding, prestatie, of moed. Het was gewoon een lange run, in mijn eentje. Maar wel door de nacht. Het werd trouwens ook weer eens tijd voor een hele lange duurloop. Als je te veel en te vaak enkel rustige korte stukjes loopt dan begint dat op gegeven moment niet meer goed te voelen, ondanks dat het allemaal zo makkelijk is.

Ik begon om 19u26, 72 minuten na zonsondergang. De zon zou dan achttien graden onder de horizon staan, het begin van de nacht. Uitgaande van dezelfde benadering, zou die nacht dan om 05u50 weer eindigen. Een beter moment om de run te beëindigen zou overigens 06u30 zijn, half zeven, het tijdstip dat de coffeeshop zou openen.

Ik kende het personeel dat ‘s ochtend altijd de tent opende goed. Zij zouden me helpen, zelfs als ze nog niet open waren. Espresso, wat anders?

Het centrum van de stad was een chaos van lawaai toen ik begon te lopen. De restaurants en kroegen waren helverlicht, de parkeerplaatsen vol, auto’s vlogen al toeterend voorbij. Door de stoplichten moest ik constant stilstaan en weer opstarten. Zelfs in het meestal rustige deel van de stad, net voorbij de kleine jachthaven, was het vanavond druk. Maar daar voorbij, na de grote haven, begon het pad kronkelend de glooiing van de baai te volgen en kon ik eindelijk ontspannen. Het gravel, het asfalt, de straatstenen, ze gingen langzaam onder mij door. Een paar uur later voelde ik de kou vanuit de zee komen, voelde ik ook dat ik heerlijk aan het hardlopen was.

Het jasje hield de kou buiten en maakte me wat warmer. Ik kon weer ontspannen. All wasgood. Meestal loop ik mijn nacht runs op en rond de Tafelberg, op een smal pad, in de natuur en in stilte, weglopend van de drukke stad. Hoe verder weg de stad en de haven dan zijn, hoe mooier ze worden. De lichtjes van Kaapstad gaan het gevecht aan met het donker, tot het donker uiteindelijk wint. Ik liep daar eens en bedacht me dat die lichtjes beneden leken op kleine planeetjes, samengeklonterde melkwegstelsels in een enorme donkere massa.

Vannacht hou ik het licht dicht bij me en loop een simpel, langzaam glooiend heen-en-weerparcours met lantaarnpalen of ander licht. Weinig gedoe om je zorgen over te maken, een makkelijke manier om een lang stuk af te leggen. Die manier van lopen, free and easy, kilometer na kilometer, is zo makkelijk dat het bijna geen zweet kostte, voelde heerlijk. Het keerpunt was nu niet ver meer, net voorbij dat dorpje voor me. De weg waarop ik liep was leeg, de twee restaurants op het strand waren gesloten, het strand zelf desolaat. Een hardloper in de stilte van de nacht.

Bij het keerpunt, een T-splitsing, ging de weg richting het binnenland. Ik ging op de stoep zitten, stretchte mijn benen en haalde de schil van twee sinaasappels. De baai was dichtbij en de geur van zeewier heel sterk. Dit was een mooi moment: 35 kilometer van huis en helemaal alleen onder de sterren. Ik herinner me een vriendin die eens vertelde hoe zij en een collega na het werk omhoog renden naar Platteklip Gorge en bij een restaurant op de Tafelberg een cappuccino dronken voor ze weer naar beneden gingen. Een fantastisch idee: natuur, hardlopen, en dan ook nog vriendschap en heerlijke gesprekken. Ik zou de cappuccino natuurlijk wel inruilen voor espresso. I am definitely espresso.
Tijd om weer terug naar huis te gaan. Ik ken dat innerlijke signaal maar al te goed en antwoord altijd. Rugtasje om, riempjes vastmaken, wandelen, shuffelen, dan rennen. Beetje water sippen om de energiereep beter weg te krijgen. All good. Sinaasappelschillen en andere overblijfselen van mijn korte stop verdwijnen in een prullenbak. All good, I’m on my way home, still going strong.

Teruglopend door het dorp weet ik wat me straks te wachten staat. De weg zal glooiend omhooggaan. Geen probleem. Ik ben er klaar voor. Een lange weg omhoog en dan, uiteindelijk bovenaan, de beloning. Het weidse uitzicht is magistraal. Duizenden lichtjes zo ver het oog kan reiken links van me, de donkere oceaan voor en rechts van me, met
Robbeneiland in de verte en voor anker liggende schepen tussen ons in. De lichtjes buigen af en worden smaller als de weg achter heuvels verdwijnt richting het centrum van de
stad en de haven. Boven me zie ik, naast elkaar Devil’s Peak, Table Mountain, Lions Head en Signal Hill; daarboven het heelal vol sterren. Het is eigenlijk ongelofelijk mooi.

Naar beneden en dan weer een lange helling omhoog. Een beetje hijgend de lange heuvel op, voel ik dat ik één word met het landschap. De nacht, de baai, de heuvels, de weg, zelfs de machtige bergpieken boven me: ze zitten in mij net zoveel als ik in hen zit. De weg voor me gaat nu op en neer, maar het lopen gaat als vanzelf. Ik weet dat er nog vele kilometers voor me liggen, maar ik ben niet bang. Ik ben trouwens geen geboren ultrarunner. Ik kan de afstanden aan omdat ik weet dat als je onderweg van alles, zelf van inspanning en vermoeidheid, kan genieten, alles makkelijker wordt. En ik heb ervaring, heb dit soort afstanden vaker gelopen.

Op de heenweg eerder deze nacht liep ik hier freewheelend, haast zwevend, een beetje zoals de kitesurfers die je hier overdag op het water kan zien. Nu, de andere kant op, begint het echte werken. Ik haal adem en focus me op de paar meter asfalt voor me. Tien kilometer lang loop ik zo, weinig op of opzij kijkend, gewoon de meters makend.

Bij de hoofdweg ga ik rechtsaf en loop van de weg een zandpad op, weg van de auto’s. Het zijn er niet veel op dit tijdstip, maar toch. Mijn ogen zijn gericht op een benzinestation even verderop. Langzaam loop ik ernaartoe, geen haast. Dit is hardlopen, maar toch ook weer niet. Dit is leven.

Bij het benzinestation vul ik snel mijn bidon en stap het zandpad weer op. Ik wil niet te lang stilstaan. Het tempo gaat iets omlaag, ik adem te snel. Te vaak ga ik juist sneller lopen als ik het moeilijk begin te krijgen, mijn eigen vreemde manier om eerder van de pijn af te zijn.

De kilometers gaan langzaam voorbij. En weer een. En weer een. Voor me ligt de brug over een kustmeertje. Ik zie rietstengels langs de smalle strook water onder de brug, ga eroverheen en doe mijn best mijn ademhaling en hartslag zo rustig mogelijk te houden. Thisisreal running. Ik bewonder de nieuwe en oude brug over het water dat het meertje met de baai verbindt. Hoofd naar beneden, hengel ik de kilometers binnen.

Bij de vuurtoren ga ik van het pad af maar het strand, over het zachte en diepe zand tot aan de branding waar het zand steviger is. Schelpen kraken onder mijn voeten, terwijl ik slingerend het aanstromend water steeds probeer te ontwijken. Ik trek mijn schoenen en sokken uit en splash en spring over de kleine golfjes. Voor even ga ik zitten en laat het water mijn voeten raken. In de verte zie ik schepen in de baai. Maar dan sta ik toch weer op en loop weer verder. Het moeilijkste ligt achter me, voor me ligt happiness. Ik kijk
weer om me heen, zie niet langer alleen maar de meters voor me. Ik zie de lichten van de stad. Goed, mijn benen zijn moe, maar ze zullen niet instorten. Het allerbeste is dat ergens voor me koffie op me staat te wachten.

Ik ga langs de jachthaven en weet dat de coffeeshop nog niet open zal zijn. Goed, dan maak ik een detour langs de Noon-Gun, klauter het pad op naar het hek, ga er overheen, en volg het gravelpad naar de marinebasis. Het is daar steil en meer wandelen dan hardlopen. Bovenaan stop ik en zie het eerste licht van de dag. Dan een slingerpad naar beneden. De jongens van de coffeeshop zijn bezig stoelen buiten op straat te zetten. De run is bijna voorbij.

De eerste espresso is fluweelachtig en uitstekend. De tweede, zittend in de vroege zon aan de andere kant van de weg, de benen gestrekt voor me, is goddelijk. ••

Mystical Miles #7

Dit verhaal van Paul Vorwerk is te lezen in editie 5 van Mystical Miles. Bestel het losse nummer voor nog veel meer mooie verhalen of word abonnee en ontvang het magazine 4x per jaar op je deurmat.

Protest tegen apartheid

Protest tegen apartheid

Door: Bruce Fordyce

“Wist je altijd al dat je een goede hardloper was, Bruce?“
“Goed, ja, maar in staat om wedstrijden als de Comrades Marathon te winnen, nee. Dat was een droom die eerder thuishoorde in de wereld van de fantasie.”

Eens, vele jaren geleden, was ik met een aantal schoolvrienden aan het wandelen over een lang wit strand bij Plettenberg Bay, waar de Keurbooms Rivier uitmondt in de Indische Oceaan. We lachten en maakten grappen en plaagden elkaar zoals schooljongens doen. Ik keek op en zag ineens een grote zwerm zeevogels – meeuwen, sternen, en aalscholvers – zittend en slapend boven op een groot duin dat glinsterend naast de riviermonding lag. Plotseling klonk er een oerstem vanbinnen: “Go!’ En ik sprintte weg, over het harde zand richting de vogels. Ik versnelde, rende steeds harder en harder, en voelde een intense blijheid, gecreëerd door de snelheid, het vlugge ritme van mijn bewegende benen, mijn hijgende longen, en het klappen van mijn blote voeten over het zand. Ik bleef maar gaan en het leek of ik onverslaanbaar was. Ik werd maar niet moe. Toen ik dicht bij de vogelkolonie was, zag ik dat de dieren opgewonden en nerveus werden. Een paar dozijn koppen draaiden in mijn richting. Nog sneller ging ik en uiteindelijk vloog ik over het zand. De vogels stoven weg in een explosie van geluid, een witte wolk van gierende meeuwen, schelle sternen en sissende aalscholvers. Ze cirkelden boven mijn hoofd, gillend van protest en woede, en draaiden vervolgens helemaal om me heen. Veren vlogen alle kanten op, vleugels klapten in het wild. De vogels protesteerden luidkeels terwijl ik ondertussen verder liep, tot aan de waterkant en uiteindelijk in de rivier dook. Onder water draaide ik om en zag de vogels nog steeds boven me, nu door het blauwe filter van het water. Toen ik weer boven kwam was ik vol verwondering. Ik glimlachte en dacht “Bruce, jij kan rennen. Jij kan heel hard rennen en ook nog eens heel lang…

Het Apartheidsregime van Zuid-Afrika was in 1981 vastbesloten om de twintigste verjaardag van het uitroepen van de republiek te herdenken op 31 mei van dat jaar. De bevolking van Zuid-Afrika zou Republic Day vieren, of men nu wilde of niet. De triomfantelijke slogan voor de feestelijkheden: Unity in Diversity, ‘eenheid in verscheidenheid’. De week voorafgaande aan 31 mei werden er verscheidene culturele, religieuze en andere evenementen georganiseerd. Zo waren zagen mensen militaire parades, vliegtuigshows, en Voortrekkers-optochten. Maar er waren ook sportevenementen en een daarvan was de Comrades Marathon, de beroemdste wedstrijd in Zuid-Afrika, negentig kilometer over de lange heuvels van de provincie Natal. De Comrades organisatie had overigens pas laat besloten de wedstrijd deel te laten zijn van de feestelijkheden.

In Chariots of Fire, de film die in 1981 een Oscar won voor Beste Film, zien we een onwaarschijnlijke scene waarin de devote Christelijke missionaris Eric Liddell te horen krijgt dat zijn wedstrijd (de 100 meter) op een zondag gehouden zou worden, de sabbat, de dag waarop niet gewerkt mocht worden. Hij weigerde te lopen. Gelukkig voor Liddell was daar een alternatief. Hij zou later die week wel de 400 meter kunnen lopen, hoewel dit verre van zijn favoriete afstand was. Liddell liep en won, in een wereldrecord.

Voor ons was er dit keer echter geen keuze. Voor de jonge en gedreven lopers onder ons, ideologisch tegen elke vorm van discriminatie, was er grote consternatie toen we hoorden dat de Comrades deel zou uitmaken van de Apartheid feestelijkheden. Het nieuws schokte ons. De slogan van de regering mocht dan Unity in Diversity zijn, die van ons was No cause to Celebrate, ‘Geen reden om te feesten’. En dat klopte ook. Zuid-Afrika stond destijds bekend als de ‘Slechterik van de Wereld’. Er is in dit verhaal veel te weinig ruimte om alle zonden van ons land in detail te beschrijven; we werden geregeerd door de angst en het kwaad. Mensen konden zonder enige vorm van proces in de gevangenis belanden, velen werden vermoord (Steve Biko was in 1977 de meeste bekende), tegenstanders werden omgebracht, politieke partijen met een tegenwoord werden verboden, het land werd door de hele wereld op sportgebied van alle evenementen uitgesloten. Nelson Mandela en andere helden warden op Robben Eiland in de gevangenis gesmeten. Zelfs de voorzitter van onze hardloopclub, Auret Van Heerden, bracht tien maanden in een isoleercel door.

Toen we hoorden dat de Comrades Marathon besloten had deel uit te maken van al dit kwaad vroegen velen van ons zich af of we de wedstrijd dit jaar niet moesten boycotten. Velen deden precies dat en trokken zich terug. Ik was wellicht zelfzuchtig, maar vond dat ik dit niet kon doen. Ik kon niet een Eric Liddell uit Chariots of Fire zijn en eventjes een ander evenement vinden. Ik wilde de Comrades zo verschrikkelijk graag lopen want ik had een zeer grote kans om dit jaar te winnen. Mijn trainingen de afgelopen maanden waren goed verlopen. In 1979 was ik als derde geëindigd, het jaar daarna finishte ik slechts twee minuten na de winnaar.

Om mij te overtuigen dat ik dit jaar, 1981, voor de zege zou moeten gaan, nodigden Dave Hodgskiss en John Bush, twee oudgedienden van mijn hardloopvereniging, mij uit om eens koffie te gaan drinken.
“Bruce, je weet dat de Comrades Marathon een wedstrijd is met vele tradities en rituelen.” Dat is waar, wist ik, de groene startnummers voor hen die de wedstrijd minimaal tien keer hebben uitgelopen, de verschillende kleuren medailles, de wisselende richting van het parcours (het ene jaar voornamelijk heuvel op, het andere jaar grotendeels heuvel af), het hanengekraai van Max Trimborn vlak voor elke start, de wrede cut-off gun, die de wedstrijd meedogenloos na exact 12 uur afschiet. Maar, vertelden zei, naast deze vele rijke tradities is het ritueel om de winnaar vlak voor de finish een kleine langwerpige koker, de winner’s baton, te geven wellicht de mooiste. Als de winnaar of winnares van de wedstrijd het stadion binnenkomt en de ronde over het gras loopt richting de finish geeft een official of vrijwilliger de loper de winner’s baton. Opgerold in de koker zit een brief geschreven door de burgemeester van de stad waar dat jaar de startstreep lag, gericht aan de burgemeester van de stad waar gefinisht wordt. De brief wordt na de finishlijn overhandigd en voorgelezen aan het publiek. Het is een zeer emotioneel moment. “Bruce,” vertelden Dave en John, “jij bent de enige person die wij kennen die de winner’s baton over de finish kan en mag dragen. Doe het voor jezelf, voor je clubgenoten, voor je familie en voor iedereen die van je houdt. Now go and do it.” Ik had geen verdere motivatie nodig…

Een paar dagen voor de wedstrijd kwam onze club met het voorstel dat als wij onze woede rond de inclusie van de Comrades in de Republic Day-feestelijkheden wilden uiten, wij tijdens de race zwarte armbanden zouden kunnen dragen. Dit leek ons een goed idee en velen besloten dit te doen. Ik was dus de enige niet die dag, hooguit de meest in het oog springende. De dag voor de start was ik echter zo met mijn voorbereiding bezig dat ik volledig vergeten was ergens een armband te vinden. Uiteindelijk kwam mijn vriendin Annie Freemantle op het idee om haar gele hoofdband te gebruiken. We kookten de band in zwarte inkt, vormden het in een (soort van) armband, en het bleef nog wonderwel nog zitten ook.

Ik kreeg ondertussen een bericht van een vriend die zijn dienstplicht deed bij de militaire inlichtingendienst, gelinkt aan BOSS, de gevreesde Bureau of State Security. Hij waarschuwde me dat inlichtingen- en veiligheidsdiensten hadden vernomen dat sommige lopers van plan waren zwarte armbanden te dragen tijdens de wedstrijd. Hij had gehoord dat er ‘aantrekkelijke’ en ‘vriendelijke’ toeschouwers langs het parcours zouden staan om bepaalde lopers water of sportdrank, gemengd met ziekmakende chemicaliën, aan te rijken.
“Ik ken je goed, Bruce,” vertelde hij, “en weet dat je de verleiding niet zal kunnen weerstaan om water aan te nemen van een mooie glimlachende vrouw. Neem alleen drinken aan van de mensen van je eigen support crew.”

Wandelend van mijn hotel naar de start voelde ik mij als een ter dood veroordeelde man. Ik was nerveus, natuurlijk want dat ben je altijd vlak voor een grote wedstrijd en ik was een van de favorieten. Maar ik kon ook de openlijke vijandigheid voelen van vele medelopers en ook vanachter de hekken waar drommen toeschouwers stonden. Velen schudden teleurgesteld hun hoofd. Ik werd ontweken, niemand praatte met me. Ik voelde me daar bij de startstreep verschrikkelijk alleen, maar dwong mijzelf te concentreren op wat voor me lag.

Spletsh, een loper kwam vanuit een klein groepje naar me toe en smeet een tomaat naar me. “You fucking Commie”, brulde hij. Mick Winn, de starter van de wedstrijd, en een paar anderen duwden hem weg voor hij nog een tomaat kon gooien. Maar ik was boos, en verontwaardigd.
“Gebruik de woede”, zei ik tegen mijzelf. “Gebruik de kracht, maar gebruik het als een langzaam brandende lont, niet als een kortstondige explosie. Laat de woede langzaam smeulen, negentig kilometer lang…”

De hanenkraai van Max Trimborn galmde in de vroege en nog donkere ochtend en seconden daarna klonk het startschot. Ik keek om me heen en zag direct Alan Robb, fan van Liverpool, met zijn rode sokken. Ik zag Johnny Halberstadt met zijn aparte loopstijl, zag de slappe pet op het hoofd van Hosea Tjale. Dit zouden vandaag de belangrijkste tegenstanders zijn. De vroege kilometers worden nog in het donker gelopen. Als de zon eenmaal op is, begint het parcours meteen te stijgen. De eerste helft van de Comrades Up Run is eindeloos klimmen. Daar zijn beruchte heuvels als Cowie’s Hill, de vier kilometer-lange worsteling tegen Field’s Hill op, Botha’s Hill, en de machtige Inchanga (het Zoeloe woord voor ‘lemmet van een mes’) die de lopers meteen na halfweg op moeten lopen.

Ik zag een familie langs de kant staan, schouder aan schouder, en toen ik langs ze rende schreeuwden ze in alle toonhoogten, van bariton tot sopraan: “boe, boe, boe” Even later vloog er weer een tomaat in mijn richting, meteen daarna een ei. Dit alles maakte me alleen maar bozer. Ik passeerde Drummond Village (halfweg) en voelde me nog steeds sterk. Ik was zes minuten sneller dan het vorige jaar toen ik derde werd. I was much ‘closer to the action’. Inchanga was lang, maar gaf me geen problemen.

Voor me, rennend door groenen velden met rietsuiker, zag ik de verrassende leider in de race Chris Mkhize. Hij had het moeilijk. Ik liep snel naar hem toe. Johnny Halberstadt, die tot dan toe niet van mijn zijde was geweken, liet me gaan. Ik zag dat Chris een spons aannam bij de volgende verversingspost. Hij wankelde en liet de spons vallen. Ik gaf hem die van mij, liep verder, en keek om. Ik lag aan de leiding van de Comrades Marathon. Mijn voorsprong was niet heel groot, Mkhize en Halberstadt liepen vlak achter me. Maar er was niemand meer voor me… Mijn benen voelden nog steeds goed. Ik besloot te versnellen en ineens was ik weer die schooljongen op dat strand van Plettenberg Bay, vlak bij de monding van de Keurbooms Rivier, met meeuwen en sternen, schreeuwend en gillend om me heen. Met dat beeld in gedachten rende ik zo hard ik kon, voor zo lang ik kon. Ineens waren daar kippenvel en adrenaline en pure opwinding. Ik schreeuwde in stilte naar mijzelf: Yes, you could win this race!

Spletsh. Daar vloog weer een tomaat tegen mijn singlet. De tomaat werd gevolgd door een stroom van scheldwoorden. Dat bracht me weer terug op aarde. Alle langeafstandslopers zijn bekend met de vermoeidheid en pijn die komt aan het einde van een wedstrijd. Om opkomende krampaanvallen te pareren veranderde ik mijn loopstijl, dan weer lopend met mijn voeten naar buiten gekeerd, dan weer naar binnen, lange passen nemend heuvelaf om mijn hamstrings te rekken, korte pasjes heuvelop. Alsof mijn gevecht met de heuvels, met mijn eigen vermoeidheid en met de tegenstanders niet genoeg was, was daar ineens ook nog de truck van ons nationale televisiestation SABC. De crew wilde mij filmen zonder de zwarte armband te laten zien. De truck reed aan de kant van de weg waar de band niet zichtbaar was. Dus haalde ik de band van mijn ene arm en deed hem om de andere. De truck ging naar de andere kant van weg. Ik wisselde de band weer. Vrij komisch allemaal, ware het niet dit het natuurlijk om zeer serieuze zaken ging.

Toen ik eindelijk het Jan Smuts Stadion in Pietermaritzburg binnenrende sprong er ineens een jongen voor me die druk gebarend de magische winner’s baton boven zijn hoofd hield. Hij schreeuwde naar me: “Bruce, Bruce you have to take this.” De paniek op zijn gezicht gaf aan dat hij bang was dat de overdracht niet goed zou gaan. Ik dacht meteen aan die kop koffie die ik gedronken had met John en Dave en de woorden die zij toen zeiden: “Jij bent de enige person die wij kennen die de winner’s baton over de finish mag dragen. Doe het voor jezelf en voor iedereen die van je houdt.”
“Maak je geen zorgen”, zei ik tegen de jongen. “Ik verwachtte je al. Dankjewel voor dit mooie moment.”

Ik geloof niet dat er ooit een Comrades Marathonwinnaar is geweest die de winner’s baton niet omhoog en richting de hemel heeft gehouden. De baton trekt je arm onweerstaanbaar naar boven, als Excalibur, het legendarische zwaard van Koning Arthur, of de toorts van het Vrijheidsbeeld. Door de jaren heen ben ik gaan realiseren dat de baton niet zomaar een kleine koker is met een handgeschreven boodschap. Het is veel en veel meer. Het is een signaal, een sirene, een vlag, een boodschap aan de duizenden toeschouwers in het stadion en de miljoenen die thuis televisie aan het kijken zijn. De omhooggehouden koker geeft de winnaar het recht om te verkondigen dat, ja, ik vandaag heb gewonnen, maar dat na mij straks de meest bijzondere mensen komen die jullie ooit zullen aanschouwen. Na mij komen de moedigste, de taaiste en de meest toegewijde mensen die je op aarde tegen zal komen. Ga staan en laat je verbazen want deze mensen hebben de hele dag gevochten met hun eigen menselijke kwetsbaarheid, deze mensen hebben de godganse dag geworsteld tegen de heuvels op, elkaar aanmoedigend en ervoor zorgend dat de ander ook de eindstreep zal halen. De meesten van hen die straks gaan komen zien er niet uit als getrainde atleten, zijn genetisch misschien niet eens geschikt voor een wedstrijd als deze. Zij hadden wellicht niet de ouders die ik had. Als ik over de eindstreep stap zijn velen van hen nog niet eens halverwege dit loodzware parcours. Maar ook zij zullen straks komen en over de eindstreep lopen. Zij zijn onderweg en ze zullen jullie allemaal met open mond en grote ogen laten verbazen, tot in de late namiddag en voorbij de ondergaande zon. Standby to be amazed… Ook dit is de Comrades Marathon.

Twee dagen later kwam ik terug in mijn studentenflat in Braamfontijn, een buitenwijk van Johannesburg. Er was ingebroken. Alle laden waren leeggegooid op de vloer. Dingen waren kapot. Iemand had geürineerd op mijn bed. Het was een waarschuwing, waarschijnlijk van de veiligheidspolitie. Ik probeerde er niets van aan te trekken. Ik had de winner’s baton over de eindstreep gedragen, ik had de gouden medaille in mijn tas bij me. Maar ik was toch wel erg van streek toen ik zag dat mijn favoriete Led Zeppelin album (het magistrale Led Zeppelin IV met Stairway to Heaven) met een mes bewerkt was…

Tot vele maanden na de wedstrijd werd ik lastiggevallen en vooral door conservatieve hardlopers. “Waar is je armband vandaag, Fordyce, schreeuwden ze dan naar me. Als antwoord legde ik dan de hand op mijn hart en riep terug: “De armband is hier, in mijn hart, waar hij thuishoort.”

Na een tijdje trok ik me niets meer aan van alle kritiek. Ik ging nadenken wat ik met de rest van mijn leven zou gaan doen. Moest ik een baan zoeken? Met hardlopen viel niet veel geld te verdienen. Ik besprak het met mijn ouders en zij gaven me het beste advies dat ik ooit kon verwachten. “Je bent een uitzonderlijk goede hardloper, Bruce. Dit moet je blijven doen, het is je toekomst. In het hardlopen ga je zingeving vinden.”
Rond die tijd kwamen van verschillende kanten ook de eerste steunbetuigingen binnen voor ons protest met de armbanden. Ze kwamen vooral van de gevangenen op Robben Eiland. Vele jaren later toen ik van Nelson Mandela de President’s Award mocht ontvangen zei hij dat ons protest die dag zeer gewaardeerd werd door de politieke gevangen daar.

Op een namiddag zat ik met een biertje voor me te luisteren naar muziek en na te denken over de richting die mijn leven zou kunnen nemen. Opeens hoorde ik een van mijn favoriete songs op de radio. Het was The Boxer van Simon and Garfunkel en het was het laatste refrein van dat beroemde lied dat bij mij van binnen na bleef galmen.

“In the clearing stands a boxer
And a fighter by his trade
And he carries the reminders of every glove that laid him down and cut him
Till he cried out in his anger and his shame
“I am leaving, I am leaving”
But the fighter still remains…”

En ik hoorde diep in mijn ziel de boodschap, and so I remained.

 

Naschrift

Toen Bruce Fordyce in 1918 de Comrades Marathon liep zat zijn goede vriend Andrew Boraine, voorzitter van de National Union of Students, in eenzame opsluiting in de gevangenis. Hieronder zijn herinneringen aan die bewuste dag.

In 1981, on 31 May (Republic Day), the National Party was intent on celebrating 20 years of the white republic. And we in the student movement at the time – COSAS, AZASO and NUSAS, were hell bent on opposing them. Their slogan: Unity in diversity. Our slogan: No cause to celebrate.

In the week preceding Republic Day, we held joint anti-Republic Day rallies on campuses around the country. I remember addressing a huge meeting in the Great Hall at Wits on 25 May, together with COSAS President Wantu Zenzile, Paul Davids of the Natal Indian Congress, Wits SRC President Sammy Adelman, and Black Student’s Society President David Johnson and others.

Two days later, we held a similar mass rally at UCT. At both rallies, the South African flag was burned, which National Party politicians and their supporters and newspapers declared acts of treason.

That same afternoon, after the UCT rally, I was detained in terms of security legislation at the NUSAS offices in Obs and taken to the Milnerton Police station, where I was cut off from what was happening around the country in the build-up to Republic Day. What I did know was that the Comrades Marathon was scheduled to be run on the 31 May. Initially, Wits SRC member and promising young runner Bruce Fordyce had decided to boycott the Comrades Marathon when organisers announced that they would associate it with the 20th anniversary of the Republic of South Africa. However, I knew that after consultations, Bruce and number of other progressive athletes decided to compete wearing black armbands to signal their protest.

The day after the Comrades, sitting in my cell, I asked a policeman who the winner was. No, he shrugged, he didn’t know. I found this a bit odd. Later that day, I asked two other policemen who had won Comrades. One of them replied angrily: ‘Daai fokken kommunis met die lang hare het gewen’. I asked what his name was. ‘Nee, daai fokken moffie’ was all he could splutter. Later, as I walked laps around my cell, I punched the air in triumph. I knew it had to be Bruce who had won Comrades. And with a black armband. The next week, still detained and incommunicado, I was bundled at midnight into a security police car and driven to Pretoria Central Prison. It took quite a few more weeks before I could confirm that Bruce had in fact won Comrades, the first of his incredible nine victories.

 

Correspondentie tussen Bruce & Hans

30 december 2021, 18:50
Dear Bruce,

Delaine Cools of the Comrades Marathon Association was so kind to forward me your email address. I trust you’re well and manage to keep covid at bay.

We recently launched a running magazine that consists solely of stories. It’s called Mystical Miles. We feature literary stories long and short from around the world, written exclusively for us. Also: narrative journalism, history, poetry, anything to inspire the runner and to allow the runner to dream away to faraway lands or towards distances deemed impossible. We also like historical stories and our past editions (we appear 4x a year, #3 dropped last month) had stories on the origins of cross country, an account of Mandela’s affection for running and the Comrades Marathon and others. I enclosed a pic of our recent cover.

I am well aware of your stature in South Africa and your stance during the Apartheid era. Reading of you wearing a black armband back in 1981 greatly impressed me. Would you be interested in writing a piece for us, specifically about the 1981 race, your thoughts concerning Apartheid and the decision to don the armband?

Please let me know and if yes we can discuss further details.

Kind regards,
Hans

31 december 2021, 15:20
Hi Hans thanks for the email. I would be happy to write something for you. Actually I am busy writing a book now which features my 1981 Comrades run. However I am in Mozambique on holiday until 4th January. I have limited connectivity. Please could I ask you to remind me on the 5th of January
Thanks
Bruce

08 maart 2022, 11:45
Dear Bruce,
Apologies for the long delay. I hope all is well with you in SA. Would you still be interested in writing a piece about your 1981 Comrades and specifically your thoughts at the time regarding the Apartheid regime (and subsequent decision to run with the black armband…)? If so, we’d be delighted and I’m sure our media would be interested in hearing more, which may help the sale of your book. We’d also help communicate your book. Please let me know your thoughts. If yes, I’d leave length andformat up to you but please keep it under 3000 words. 2000w would be ideal.
Hope to hear from you. Stay well.
Hans

10 maart 2022, 13:50
Hi Hans
I am happy to write a piece for you but I will need some time to write it. This week is imposible. Can I ask you to remind me next week
Thanks
Bruce

29 maart 2022, 12:06
Dear Bruce,
Trust all well in SA. My neighbourhood in Amsterdam is filling up with Ukrainian refugees. We’ll go running with a few of them next week.
We’re planning the content for our next edition and were wondering if you still haver time to write a piece about your 1981 Comrades, specifically your decision to wear the black armband. I mentioned 2000 words below but 1200-1500 would be fine as well. Or, actually a not length as we’re very interested in the story… Ideally we’d like to have it by end April, early May. Please let us know if we can still add it to the list or perhaps move it to a later edition (we appear four times a year).

Stay well,
Hans

29 maart 2022, 14:00
Hi Hans
Thanks for your reminder. I am very keen to write the piece as I need a portion of it for a book I am writing. However I have a hectic April where I will be travelling a lot so it’s probably best to shift my story out to a later magazine. Hope that’s ok
Thanks
Bruce

21 juni 2022, 8:39
Dear Bruce,

I hope all well with you. In a few weeks I am inviting all Dutch Comrades runners to my house for a short info session, taking away some unknowns and instilling a bit of fear and enthusiasm in their souls.
Would you still be open to write a piece for us on your 1981 Comrades run? Please let us know. I can follow up with a phone or video meeting if needed.

All the best,
Hans

21 juni 2022, 11:26
Yes that’s fine Hans. However I am overseas now in London back on the 4th July. Can you remind me then. Also if you’re getting all the Dutch runners together why don’t we link up via zoom or something and let’s chat
Thanks
Bruce

21 juni 2022, 10:33
Bruce,
I’ll remind you early July. Awesome. The Comrades session is Sunday 3 July, from 11am to around 1pm our time which is I think SA time as well. Would be very very very nice to have you as a surprise guest. I’ll send you a Zoom link for that day, 1130am. Please let me know if that time is okay.

Thanks again!
Hans

21 juni 2022, 14:24
Unfortunately I’m travelling on the 3rd July. I can try but might be tricky
Bruce

19 july 2022, 12:32
Dear Bruce,

I hope all well in SA. We’re going through a heatwave here in Amsterdam – 35C+, even hotter in London today I hear. Would you still be able to contribute to our magazine?  It may be a rough draft as we’d translate anyway. If I may have a postal address we’ll end the latest copy to you.

Regards, Hans

23 juli 2022, 19:34
Apologies Hans it looks as if I’m avoiding you, but I promise I’m not. With the first Comrades being run at the end of next month I am absolutely hectic. I’m giving 18 club talks and have a weekly column in a newspaper
The 1981 comrades is very important to me and I will be writing my second book on it and running at the time.

I need to get it exactly right and the piece I will write for you would be the basis for my book.
So I hope you will indulge me and let me write it in September when the pressure will be off?
Kind regards
Bruce

25 oktober 2022, 12:41 Dear Bruce, 
Just checking in to see if all okay in SA. Would you still have time to contribute a piece for us?
Kind regards, Hans

25 oktober 2022, 12:47
Hi Hans
Yes I could do that. Please remind me on Monday and I should be able to start
Cheers

Bruce
PS What length did you have in mind?

28 oktober 2022, 12:51
Bruce. Great. I’ll send a reminder on Monday. Would 1500 words be ok? May be longer if you have time etc..

01 november 2022, 10:47
Dear Bruce. Trust all okay. Unseasonably warm in Amsterdam and took advantage of that to do an old-fashioned hill session the local forest. Almost felt like old days, almost. Please let me know your thoughts on your writing.
Cheers,
Hans

1 november 2022, 11:26
I’ve started it. I am away now for a few days in the KZN Drakensberg . Should finish it next week. Please give me a prod on Monday.
Thanks
Bruce

01 november 2022, 12:53
I will. Thanks and enjoy the Drakensberg

14 november 2022, 9:09
Hi Hans
Almost finished. Should have it with you by Thursday
Thanks
Bruce

14 november 2022, 19:21
Lekker, lekker, Bruce. Baie dankie. Hans

15 november, 2022, 8:39
It looks like it might be too long 2750 words ? Does that matter?
B

15 november 2022, 10:34
Nope. Looking forward to it!

18 november 2022, 15:43
Almost finished Hans. Looking for a photo and then one last check for mistakes. Thanks for your patience
B

18 november 2022, 16:34
Thanks Bruce. I have the Comrades folks look for pictures. So no worries there…

18 november 2022, 18:35
Doubt that they have any photos from 1981.

22 november 2022, 7:50
Hi Hans
Sorry for the delays. You will have my article end of today or latest first thing tomorrow
Thanks
Bruce

22 november 2022, 13:33
Here it is finally Hans
Thanks for your patience
B

22 november 2022, 14:47 Dear Bruce, 
I read it in one take, hardly breathing. This is a very special piece of writing…. The piece by Andrew Boraine an unexpected bonus. Wonderful. You did a very courageous thing back then, Bruce. I think you put that sense of destiny but also that sense of commitment, of ‘doing the right thing’, incredibly well into your writing.
Thanks, thanks, thanks.

We’ll send you copies once we have the magazines printed. Is below address the right address to send the magazines to?
Please send us a brief bio and recent picture so we can post this with the other authors.

Hans

22 november 2022, 16:12
Thanks Hans. I’m hoping to write a bigger book on the 1981 Comrades and other races so this was a good warm-up. The address is correct but I doubt I will ever receive it. Our postal system has collapsed. Might be better to send a copy to my son in London.
Thanks
Bruce

22 november 2022, 18:20
Thanks again, Bruce. We’ll send a few copies to London.
Hans

 

Mystical Miles #7

Dit verhaal van Bruce Fordyce is te lezen in editie 7 van Mystical Miles. Bestel het losse nummer voor nog veel meer mooie verhalen of word abonnee en ontvang het magazine 4x per jaar op je deurmat.

De snelloper

Mensen Ernst

De snelloper

Door: Rolf Bos

We zijn hem nu vergeten, maar aan het begin van de negentiende eeuw was de Noorse hardloper Mensen Ernst niet weg te denken van de voorpagina’s. De eerste professionele ultrarunner liep voor een weddenschap binnen twee weken van Parijs naar Moskou, draafde vervolgens van Constantinopel naar Calcutta (en terug!) en ging daarna al hardlopend naar de toen nog onbekende bronnen van de Nijl. Run, Mensen, Run!

Uiteindelijk werd hij in januari 1843 door een Afrikaanse rivier verslagen. Het doel, de onbekende bronnen van de Nijl, de finish die hij zichzelf had opgelegd, bleek buiten bereik. De loper bleef staan, leunde vervolgens uitgeput tegen een boom, legde een natte zakdoek over zijn hoofd, en stierf. Hij zakte langs de stam van de palmboom naar beneden, en bleef daar liggen. Dacht hij in die laatste ogenblikken nog aan de majestueuze fjorden in het verre Noorwegen, aan zijn te jong overleden moeder, aan de honderden wedstrijden waaraan hij had deelgenomen, aan Moskou, waar hij een paar jaar eerder vanuit Parijs naartoe was gedraafd?

Pas vele maanden later hoorden zijn vrienden dat hij in Zuid-Egypte was gestorven, maar toen was het ook meteen groot nieuws. Van Odense tot Leeuwarden, van Paramaribo tot Utrecht, van Aken tot Parijs, van New York tot Batavia, werden teksten geschreven die klonken als: Zoo stierf deze in zijne soort geheel enigen man, verre van zijn vaderland, aan de poorten der voor ons gansch onbekende gewesten der aarde.

Het verhaal nam bijkans mythische vormen aan. Mensen Ernst was al hardlopend vanuit oostelijk Duitsland via Damascus en Jeruzalem op zoek gegaan naar de bronnen van de Nijl, vele maanden was hij onderweg, hij liep meerdere marathons per dag, met een gemiddelde van tien kilometer per uur, levend op brood, koud vlees en wat wijn – en nu was hij dood. Kwam het door uitputting, waren zijn voeten kapot, of was het toch gewoon dysenterie geweest? Waren er misschien struikrovers in het spel? De kranten in het verre Europa speculeerden er lustig op los. Zwerfziek en rusteloos kon hij nooit lang op eene en dezelfde plek uithouden. En: Jammer dat hij zoo weinig van zijn bevindingen heeft opgetekend!

Een sportheld volgens de moderne definitie van het woord kun je deze nooit stil zittende Noorse zwerver niet noemen, maar overal waar in de eerste helft van de 19de eeuw kranten verschenen, had men van Mensen Ernst gehoord. In Nederland schreef zelfs de Drentsche Courant over hem. Hoogstwaarschijnlijk konden de meeste arme boertjes uit deze provincie nog niet lezen, maar in de plaggenhutten zal toch wel iets zijn doorgesijpeld over deze ‘boodschapper’. Het was nog een tijd dat mensen elkaar bij kaarslicht verhalen doorvertelden, en die – bij het doorgeven – nog iets smeuïger maakten.

Ruim een jaar na zijn dood was hij nog niet van de voorpagina’s verdwenen. De Leeuwarder Courant schreef in november 1844 hoopvol: De Akense krant wil weten, dat de beroemde Noorweegsche hardloper Mensen Ernst, wiens dood aan de Nijlbronnen voorleden jaar gemeld is, werkelijk nog in leven zou zijn, en laatstelijk in Oost-Indië was aangekomen. Ook andere kranten meldden dat hij nog zou leven, en ergens in de buurt van Calcutta zou draven. Mensen Ernst, de beroemde Noorweegsche hardlooper, die op eenen togt ter opsporing van der Nijlbronnen jl. jaar in Egypte zou gestorven en bij de Nijl-watervallen begraven zijn, leeft weder.

De berichten werden nooit bevestigd, waarschijnlijk betrof het een vroeg gevalletje van fakenews. Mensen Ernst was niet als Jezus weder opgestaan, de snellooper was echt dood.

Zijn levensgeschiedenis bleef de rest van die lange 19de eeuw fascineren. In maart 1879 wijdde de The New York Times nog een stuk aan hem, onder de kop: A WONDERFUL RUNNER. Het dagblad schrijft over het op dat moment populaire fenomeen van pedestrianisme (competitief snelwandelen/hardlopen), en noemt Mensen Ernst de grondlegger van deze sportbeoefening. He never walked, but invariably ran, keeping up a long, swinging lope for hours at a time without rest. (…) These rest he took while standing against a tree or other object of support.

Die rustmomentjes stelden overigens niks voor, het waren volgens de Amerikaanse krant slechts two short rests of 10 or 15 minutes each in 24 hours.

Twintig, dertig minuten rusten per etmaal? Allemachtig, hoe flikte je ‘m dat, Mensen Ernst?

Er bestaan helaas geen foto’s van deze Forrest Gump van de 19de eeuw, de fotografie was net uitgevonden, en hardlopers gingen nog veel te snel voor de langzame sluitertijden van de eerste camera’s. Er zijn wel een paar getekende prenten overgeleverd. Kleine man, in een klassiek ogende tuniek, een paar magere palmbomen op de achtergrond. De voetreiziger heeft een sextant in de hand, het navigatieapparaat waarmee je de richting kunt bepalen. Niks geavanceerde sporthorloges of dure smartphones, Mensen Ernst sleepte al rennende een ouderwetse gradenboog en een kompas met zich mee.

Maar wat weten we van die kerel, die in 1795 of 1799 in een afgelegen dorp in Noorwegen werd geboren? Je zou kunnen zeggen: bitter weinig, maar aan de andere kant werd er, zeker in de eerste helft van de 19de eeuw, al veel over hem geschreven, tot dikke boeken aan toe. Toch is het voor de schrijver in de 21ste eeuw lastig om fictie van waarheid te onderscheiden. Want was Mensen Ernst nou de koning Arthur van het hardlopen, of was hij waarlijk een atleet die wonderbaarlijke prestaties leverde, een loper met vleugels aan zijn voeten?

Geboren werd hij in het gehucht Fresvik, aan de Sognefjorden, de langste fjord van Noorwegen, hemelsbreed zo’n zeventig kilometer ten noorden van de stad Bergen. De man die later als Mensen Ernst door het leven zou stappen, heette bij zijn geboorte nog Mons Monsen Øyri. Hij was de zoon van een arme pachter, die al vroeg zou zijn gestorven. Andere bronnen vermelden echter dat zijn vader zeeman was, die ‘ergens in Afrika’ zou zijn verdwenen – vandaar zijn fascinatie later voor dat destijds nog volledig onbekende continent. Hoe dan ook, in Fresvik – tegenwoordig wonen er zo’n tweehonderd zielen – kon je aan het begin van de 19de eeuw geen kant op. Een weg werd pas in 1976 aangelegd. Je kon dwalen door de bergen die steil omhoogstaken vanuit het zwarte fjord, je afvragend wat er achter die hoge toppen lag, of je kon naar zee. En dat laatste deed Mons Monsen Øyri.

Hij ging naar de zeevaartschool in Kopenhagen – op dat moment nog de hoofdstad van de dubbelmonarchie Denemarken-Noorwegen. Hij leerde er navigeren (dat zou hem later nog van pas komen), monsterde aan als scheepsjongen bij de Engelse marine, en keerde Noorwegen voor eeuwig de rug toe. Hij verengelste zijn naam tot Mensen Ernst en zeilde de wereld rond. In Zuid-Afrika, het zal rond 1817 zijn geweest, ging hij voor het eerst meedoen aan lokale hardloopwedstrijdjes, waar toentertijd flink wat geld viel te verdienen. Hij was goed, al dravende in zijn matrozenpak.

Een paar jaar later was hij in Engeland, waar hij tussen Londen en marinestad Portsmouth deelnam aan een zogenaamde footrace. Hij legde de 72 mijl in negen uur af. Hij won, en verdiende een smak geld. Niet veel later draafde hij van de Britse hoofdstad naar Liverpool, 150 mijl in 32 uur. Kranten schreven er vol verbazing over, Mensen Ernst, de hardloper was geboren. In de taal van die tijd klonk dat zo: Hij verwierf eene schier Europeësche beroemdheid, er werd zulk eene looplust in hem wakker, dat hij sedert met de gezwindheid van een ruiter en de rusteloosheid eener zwaluw, zowel op gebaande als ongebaande wegen de wereld afliep.

Is ’t mogelijk, dat een mensch zoo iets volbrengt, waartoe het beste paard niet in staat zou zijn?

Hij zeilde naar het vasteland, kwam aan in Hamburg, liep naar Berlijn, ging een tijdje wonen op landgoed Annenrode in Thüringen – als zeeman had hij ooit de schoonvader van de landeigenaar het leven gered. Annenrode werd zijn basis, maar stilzitten was doodgaan, en dus trok hij er weer op uit, Europa in, om overal voor flinke sommen geld zijn hardloopkunsten te laten zien. Portugal, Spanje, Zwitserland, Parijs, terug in Kopenhagen waar hij ter vermaak van de duizenden toeschouwers ook op stelten liep. Een andere keer ging hij de strijd aan met paarden of honden, of trok hij opvallende kostuums aan, hij werd een ware showman.

In meer dan Europese zeventig steden moet hij in die jaren als een professional hebben hardgelopen, de Noor liet posters drukken waarop hij aankondigde dat hij er aan kwam. Boeren, burgers, buitenlui, koning, keizer, admiraal – iedereen kwam kijken, heel Europa kende Mensen Ernst, de Løperkongen van de footrace, de koning van het hardlopen. In Kopenhagen moest de Koninklijke Garde de duizenden fans tegenhouden die een glimp wilden opvangen van de legendarische snellooper.

Volgens sommige bronnen onderbrak hij deze tournee om aan te monsteren bij de Britse marine. Zo zou hij hebben deelgenomen aan de slag bij Navarino in 1827 waar een geallieerde vloot de Turks-Egyptische vloot een gevoelige nederlaag toebracht, een nederlaag die de verdere onafhankelijkheid van Griekenland weer een stapje dichterbij bracht, het was de laatste zeeslag in de geschiedenis tussen zeilschepen. Hij reisde vervolgens naar Alexandrië en na een bezoek aan de piramides reisde hij over land naar Jeruzalem, Damascus en Constantinopel (het tegenwoordige Istanbul), waar hij weer deelnam aan een aantal goed bezochte footraces, waar hij tegen de beroemde Turkse koerierslopers liep; vandaar ging hij – natuurlijk – te voet verder naar Boekarest, Wenen, Praag en Dresden. Na een reis van bijna een jaar kwam Mensen Ernst eindelijk ‘thuis’ op Annenrode aan.

Eenmaal uitgerust, ondernam Ernst een voetreis langs België, Nederland, Schotland en opnieuw Frankrijk. In dat laatste land zou hij aan zijn beroemdste wedstrijd beginnen, plannen daartoe had hij al eerder gesmeed. Want hij wilde meer, het werd een beetje routine, dat draven-voor-geld in steden, zoals zijn landgenoot Thor Gotaas een kleine twee eeuwen later zou noteren in zijn monumentale boek Running, A Global History.

We schrijven het jaar 1832. Napoleon was iets meer dan tien jaar dood, maar zijn veldtochten lagen nog stevig verankerd in het collectieve geheugen. In Frankrijk, maar ook in Nederland leefden nog tienduizenden die verplicht als soldaat gediend hadden in een van zijn legers. Vooral de zo dramatisch verlopen veldtocht naar Rusland, precies twintig jaar eerder, bleef fascineren. Wat als ik de 2500 kilometer van Parijs naar Moskou nou eens binnen vijftien dagen afleg?, zei hij tegen mogelijke sponsors. Doen, zeiden lieden als graaf Gustav Carl Fredrik Löwenhielm, als het je lukt, kun je op een mooi bedrag rekenen.

Op 11 juni 1832 – exact twintig jaar na het begin van de Russische veldtocht van Napoleon Bonaparte – vertrok Mensen Ernst uit Parijs. Een mensenmassa deed hem uitgeleide vanaf het Vendômeplein, nabij de zuil van Napoleon. Diezelfde avond was hij al in Châlons-sur-Marne, 145 kilometer ten oosten van Parijs. Omstanders zagen hem daar langs snellen. Een compacte loper, gespierd, een enigszins gehurkte loopstijl. Een wit shirt, een zwarte broek, een hoed met een pluimveer die ‘komisch’ heen en weer ging tijdens de ‘lange en slepende gang’. Een hardloper, dat kenden ze niet, daar in Châlons-sur-Marne, iemand liep alleen maar hard als hij op de vlucht was voor iets of iemand, dus ze grepen hem vast en sloten hem op in een varkensstal. Maar de Noor liet zich niet opsluiten. Even later liep hij toch weer verder, af en toe witbrood gedoopt in rum etend – ‘rum en witbrood hielden mij op de been in mij lichte huppeltred.’ Ook pepte hij zich onderweg op met zeker mengseltje uit de apotheek dat hij altoos bij zich droeg.

Twee dagen later was hij in Kaiserslautern, weer later snelde hij langs Krakau, waar de op de akkers zwoegende boeren zich afvroegen of daar een waanzinnige liep, bezeten door de duivel. Ze konden het hem niet vragen, want Mensen Ernst, dat kleine, dunne, grijsharige kereltje met dat verweerde gezicht, was alweer een stip aan de horizon.

Op 19 juni bereikte hij Russisch grondgebied, een paar dagen later ploeterde Mensen Ernst langs Borodino, waar Napoleon twintig jaar eerder de Russen had verslagen. Moskou lag nog slechts een dagtocht weg, en de snelloper had nog ruim 48 uur over. Maar toen ging het toch – bijna – mis. Wantrouwende dorpelingen, niet gewend aan hardlopende vreemdelingen, grepen de dravende zonderling en sloten hem op in een cel. Maar Mensen Ernst wist, via de schoorsteen, te ontsnappen. De dorpelingen zagen hem van het dak afspringen, maar konden zijn snelheid niet bijbenen – hij was alweer weg.

Op naar Moskou, waar hij een dag te vroeg voor de poorten van het Kremlin stond. Hij werd als een held onthaald, moest aanschuiven aan talloze banketten en werd in St. Petersburg voorgesteld aan tsaar Nicolaas I. Daarna keerde hij huiswaarts. Zijn verhalen waren hem vooruit gesneld, dankzij estafettelopers en de optische telegraaf, een vroeg middel van communicatie binnen Europa. Eenmaal terug in Parijs werd zijn hotel bestormd door nieuwsgierigen, die den held van den dag zien wilden. Ook kreeg hij zijn beloofde 4000 franken uitbetaald. Daarna trok hij bedaard naar Zwitserland, gaf hier en daar voorstellingen…

Spoelen we even door in de tijd en kijken we met de bril van 2022 naar de prestaties van Mensen Ernst, dan kun je je afvragen of, en hoe, het mogelijk was (en is) om ruim 2500 kilometer (1600 mijl) binnen veertien dagen af te leggen. Met een gemiddelde van 185 kilometer per dag! Drie rondjes Texel, en dat dag na dag! Zonder volgauto’s, of zelfs meefietsende hulptroepen, dwars door deels onbekend terrein, zonder goede wegen en wegwijzers. Dit menselijk perpetuum mobile moest dus zelf navigeren en de weg vragen én tussen de achttien en twintig uur per dag gelopen hebben, onderwijl ook nog eens tientallen rivieren overstekend.

Kan dat? Of om met tijdgenoten van Mensen Ernst te spreken: Is ’t mogelijk, dat een mensch zoo iets volbrengt, waartoe het beste paard niet in staat zou zijn?

Had ultraloper Jan Knippenberg nog geleefd, dan hadden we het hem kunnen vragen het nog eens dunnetjes over te doen, maar ja, Jan is al jaren dood, en gezien de huidige geopolitieke situatie in oostelijk Europa kun je trouwens momenteel toch niet hardlopen tussen Frankrijk en Rusland.

Wellicht is het Parijs-Moskou-verhaal over Mensen Ernst later flink aangedikt, door onder meer de Duitser Gustav Rieck die in 1844 een boek over hem schreef, waarin veel verzonnen lijkt, de Duitser beschikte over een dikke zuig-duim: Mensen Ernst’s Leben, See-, Land- und Schnell-Reisen in allen fünf Welttheilen. Nach mündlichen und schriftlichen Ueberlieferungen. Maar laten we even nuchter met die getallen van Parijs-Moskou uit 1832 gaan goochelen: de Mensen Ernst van de 20ste eeuw, de Griekse wonderloper Yiannis Kouros, liep ooit, in 1984 in Australië, ruim duizend kilometer in een kleine zes dagen. Verdubbel dat aantal en je komt enigszins in de buurt – al moet je dan in de resterende twee dagen nog eens vierhonderd kilometer afleggen. Kouros liep in 1996 in Frankrijk binnen 48 uur 473 kilometer… Menselijkerwijze – of beter gezegd: bóvenmenselijkerwijze – kán het dus.

Enfin. Je moet niet alles kapot willen checken als het om het fenomeen Mensen Ernst gaat, dit blad heet niet voor niets Mystical Miles. Snel terug dus naar de eerste helft van de 19de eeuw. De Noor had de smaak te pakken. Hij liep in opdracht van koning Ludwig van Beieren van München naar Griekenland, waar zijn zoon Otto ook koning was geworden. Mensen, die brieven voor de Griekse koning in zijn ransel had, deed er 24 dagen over en legde dagelijks gemiddeld 153 kilometer af. Onderweg moest hij omlopen langs steden waar de cholera of de pest heersten. En dan waren er nog de talloze rivieren, het getal 69 wordt genoemd: ‘Pas door eene rivier gezwommen en met de kleeren nog nat aan het lijf zag ik alweer twee, drie andere waterbekkens op mij wachten.’

Ook werd hij beroofd door bandieten en gearresteerd door een Ottomaanse Pasja bij de Griekse grens als vermoedelijke spion. Het is alsof de grote schrijver Karl May het allemaal verzonnen heeft. Eenmaal in Nauplion, toen nog de hoofdstad van het jonge koninkrijk Griekenland (dat zich net voor een deel had bevrijd van het juk van de Turken), ging hij per schip naar Triëst. Daar pakte hij zijn oude stiel weer op, van rondreizend hardloper.
In juli van het jaar 1836 reisde Mensen Ernst naar Constantinopel om zijn grootste reis tot dan toe te beginnen (‘de kroon op al zijn wondertogten’). De Britse Oost-Indische Compagnie wilde belangrijke en dringende documenten naar Calcutta sturen. Ernst, die inmiddels bekend stond als een ‘betrouwbare en snelle’ koerier, bood aan om de documenten binnen zes weken te bezorgen. Dat kan nooit, meenden zijn opdrachtgevers. Er werd een realistischer voorstel gedaan: als Ernst erin zou slagen de documenten binnen acht weken te bezorgen, zou deze 19de eeuwse pakjesbezorger een som van 150 pond sterling krijgen. Ik ben al weg, zei Mensen Ernst, en hij trok zijn schoenen aan. Hij kwam op 27 augustus om negen uur ’s ochtends aan in Calcutta, ruimschoots binnen de afgesproken tijd.

Na een paar dagen in Calcutta te hebben doorgebracht om uit te rusten, zat er weinig anders op dan weer naar huis te rennen. Hij nam een meer noordelijke route en rende terug naar Constantinopel, waar hij 28 dagen later aankwam. Mensen Ernst, onze ultraloper avant la lettre, legde deze onwaarschijnlijke rondreis van in totaal 5200 mijl af in 59 dagen, een gemiddelde van bijna 90 mijl per dag. Opnieuw een ongelooflijke prestatie!

Schrijver dezes legde hetzelfde traject, Istanbul-Calcutta, ooit per bus af. Het schier oneindige Oost-Turkije, Teheran in toen nog Perzië, Herat en Kandahar in het wilde Afghanistan, de welhaast onneembare Khyberpas, Pakistan; en dan wachtte nog het uitgestrekte Noord-India, met de rivier de Ganges… Het was een tocht die vele weken in beslag nam. Per bus, en een stukje trein in India, het was een verschrikkelijk eind.

Mensen Ernst liep de hele route! Alstublieft!

Factchecking is ook in dit geval vrijwel onmogelijk – wel is zeker dat hij slechts acht dagen over het traject Teheran-Constantinopel deed. In de Perzische hoofdstad kreeg Mensen Ernst een gedateerde brief mee, die hij acht dagen later bij de Zweedse ambassade afleverde.

Terug in Europa waren er nieuwe dromen. Naar China rennen, of dwars door Afrika, naar de bronnen van de Nijl, die door nog geen enkele Europeaan waren gezien. Mensen Ernst trad in dienst van Prins Heinrich von Pückler-Muskau, een edelman uit het Duitse Bad Muskau die fan was van het lange-afstands-lopen en bovendien als classicus geïnteresseerd was in het oude Griekenland, en dus de klassieke Olympische Spelen. Hij was ook de man die het woordje sport in de Duitse taal zou introduceren. ‘Ik heb een paard op twee benen in dienst genomen’, schreef hij oneerbiedig aan een vriend over zijn nieuwste personeelslid, ‘en hij draagt een Turks kostuum.’

‘Ga jij maar eens in Afrika kijken’, zei de prins, die zelf ook aan de oevers van de Nijl had gestaan, ‘mijn zegen heb je. Ik geef je de benodigde papieren en geld mee. Neem de route via Damascus en Jeruzalem.’

Dat liet Mensen Ernst zich geen tweemaal zeggen. Binnen dertig dagen was hij al in Jeruzalem (‘waar hij eenige boodschappen had af te doen’), vandaar liep hij verder naar Caïro en de Nijl. Stroomopwaarts ging het, voorbij de oude tempels van Luxor en Karnak. Hij was al bijna in Soedan toen hij uitgeput tegen een palmboom ging leunen. Dysenterie, uitgedroogd, of was hij gewoon óp – wie zal het zeggen? Daar in het zuiden van het bloedhete Egypte, niet ver van de beroemde tempel van Aboe Simbel, bezweek onze snelloper. Geheel onverwachts uitgelopen.

Een paar dagen later werd zijn uitgeteerde lijk gevonden. Het werd ter plekke begraven, ‘aan den eersten waterval van den Nijl’. Zijn graf is een kleine twee eeuwen later verdwenen. De plek waar hij stierf is nu een groot meer genaamd naar president Nasser, gevormd door de bouw van een reusachtige dam.

‘Hij was een eerlijk en trouwhartig mensch’, schreef een krant een paar maanden na zijn overlijden. ‘Hij is miljoenen en miljoenen mensen voorbij gelopen.’

Mensen Ernst had het zelf al voorspeld: als ik stil sta, ben ik dood.

 

Dit verhaal van Rolf Bos over de legendarische Mensen Ernst is te lezen in editie 6 van Mystical Miles. Bestel het losse nummer voor nog veel meer mooie verhalen of word abonnee en ontvang het magazine 4x per jaar op je deurmat.

Sameena van der Mijden

Sameena van der Mijden

Lopen tot de zon opkomt

Vaak. En ver.

Door: Koen de Jong

De nacht heeft iets magisch, iets veiligs. Er is niemand. De straten zijn van jou.

Sameena van der Mijden loopt hard. Vaak. En ver. Ze loopt tot de zon opkomt of tot de straten tot leven komen. Ze is Nederlands kampioene op de 100 kilometer. Haar volgende doel is gewoon vanuit huis weg te rennen met een rugzakje op en dan maar zien hoe ver ze gaat lopen, hoe lang ze onderweg is en waar ze gaat slapen.

Hardlopen is voor Sameena veel meer dan een sport. Het eerste wat ze doet als ze wakker wordt, is hardlopen. Pufje Ventolin, slokje Redbull en naar buiten. Bij de deur hangt een bord: When nothing goes right, go left. Voor minder dan acht kilometer is ze nooit te porren en bij voorkeur loopt ze meer dan twintig kilometer. Op een gewone werkdag dan, want eigenlijk is het nooit ver genoeg. De marathon loopt ze als opwarmertje voor een 100 kilometer of verder. Marathons maken überhaupt weinig indruk. Voor veel lopers is de finish van een marathon het summum, op nacht- en ultraloopster Sameena maakt het weinig indruk.

Het Vondelpark, is dat niet de finish van de marathon van Amsterdam?

Nee, je finisht in het Olympisch Stadion.

Hmmmm, waar ken ik dat Vondelpark dan van? Loop je daar wel doorheen met de marathon?

Trainingsschema’s, hartslagmeters, synthetische loopshirts, carbonzolen of een vermogensmeter zijn aan de ultraloopster niet besteed. Naar buiten en rennen. Daar draait het om. Als je rent, houden de demonen in je hoofd zich koest en ben je veilig.

Tien jaar geleden was de nacht voor Sameena niet veilig. Of ze had klanten met wie ze seks moest hebben of ze lag bang in bed te piekeren over de video die van haar was gemaakt. Ze droomde niet over lange runs langs het strand of nachtelijke loopavonturen onder de sterren. Er was alleen angst en schaamte.

Ze is een bekende verschijning geworden in haar strijd tegen het taboe dat rust op mensenhandel. Haar ultra van 500 kilometer in december 2020 voor Serious Request haalde landelijke media. Sameena is geboren in New Delhi en kwam al na vier maanden naar Nederland. Haar biologische ouders kent ze niet. Nu rent ze (bijna) dagelijks vanuit Arnhem langs de Rijn of over de Veluwe.

Elf jaar geleden liep ze niet hard. Ze kwam de deur nauwelijks uit. Haar vriendje had haar met lieve woorden en een charmante lach een veilige plek aangeboden. Een stabiel thuis was een mooi vooruitzicht, dus Sameena ruilde haar zwervende bestaan in voor een vast adres. Dat bleek voor heel even veilig. Maar na een maand trok Sameena’s vriendje haar in een zwarte wereld met gedwongen seks en agressie. De streng christelijk opgevoede jonge vrouw werd eerst verkracht en later gechanteerd met de opname van die verkrachting.

Ze bleef drie jaar in de greep van haar loverboy en toen kwam er een kans om uit haar wereld van vernedering en gedwongen seks te stappen. Na drie jaar vluchtte Sameena naar Den Bosch. Een heftige periode volgde. In Den Bosch was het opeens stil. Geen telefoon meer die ze continu in de gaten moest houden, geen mensen aan de deur, niemand die op haar stond te wachten op de hoek van de straat. Met de stilte kwam verwerking, weerstand en intens verdriet. Een periode waarin anorexia, depressie en zelfmoordpogingen sterker leken dan de wens om te rennen en te ontdekken of het leven ook een zonnige kant had.

 

Maar tussen de donkere wolken in haar hoofd, vond ze een kracht die haar dreef naar frisse lucht en fysieke inspanning. Het begon met een video op YouTube, waarin iemand zegt dat je de dag moet beginnen met opstaan op een vaste tijd én je bed moet opmaken. Nadat Sameena dit een week had gedaan kwam de behoefte om te sporten. Iets om haar verdriet, woede en onmacht te beteugelen. In een korte broek, een katoenen shirt en op haar alledaagse, afgetrapte schoenen begon ze te rennen. Zonder tijd. Zonder doel. Gewoon lopen. In het begin had ze na 200 meter het gevoel dat haar longen eruit vielen. Op dagen dat de woede overheerste, nam ze iemand in haar hoofd: de loverboy of een klant. En daar ging ze. Volle kracht. Ze kon dit op eigen houtje. Ze had ondanks haar dyslexie ook haar diploma gehaald. En ze was eerder ook, tegen het advies van haar arts, gestopt met de Ritalin. Liever druk, dan een schim van zichzelf. En juist dat probeerde ze met hardlopen terug te vinden: zichzelf.

 

Op dagen dat de hoop op een betere toekomst overheerste, drong een quote zich op van een van de YouTube-video’s die ze bekeek. De quote van David Goggins is haar op dit moment het meest dierbaar:

We all have the ability to come from nothing to something.’

De kracht zit in haarzelf, weet ze. Haar eerste tatoeage met Faith op haar pols is inmiddels overgetekend en het christelijke geloof heeft ze afgeschud. Met kerken heeft ze niets, geef haar maar bossen en uiterwaarden op zondagmorgen. Er is vast wel iets, maar ze moet het zelf doen. Toen een arts vertelde dat ze astma had, haalde ze dan ook haar schouders op. Nee, ze hoefde geen Ventolin. Pas toen ze voor de derde keer in een jaar in het ziekenhuis lag met een longontsteking, ging ze akkoord. Het goede nieuws: sinds ze iedere dag een pufje neemt, heeft ze geen longontsteking meer gehad. Dus ze kon blijven lopen.

En ze liep. Iedere dag weer. Naarmate de weken verstreken voelde ze zich sterker worden. Ze ging gezonder eten en voelde zich steeds beter. Ze had weer aandacht voor de omgeving om haar heen en ze ging zich spiegelen aan haar huisgenoten. Ze besloot haar havodiploma af te maken via staatsexamens en een bijbaan te zoeken. De eerste stapjes in de goede richting.

Langzamerhand behaalde ze steeds meer successen, van een havodiploma naar een zorgopleiding, een baan in de Efteling, en later in de zorg. En ze bleef hardlopen.

Nog steeds op afgetrapte sneakers. Na een jaar schreef ze zich in voor een wedstrijdje, maar ze werd vreselijk uitgelachen door haar huisgenoot. ‘Wat moeten mensen wel niet denken als je zo aan de start verschijnt?’ Geen toffe opmerking als je zelfvertrouwen met brokstukjes aan het opbouwen is. Maar de liefde voor het lopen bleef. Of eigenlijk was het geen liefde, maar een eerste levensbehoefte, net als eten en ademen.

Later verhuisde ze naar een plekje voor zichzelf. Opnieuw een stap, maar ook een onzekere stap. Ze bleef echter investeren in haar opleiding, haar werk en ze bleef goed voor zichzelf zorgen. En ze bleef hardlopen.

In deze periode begon ze ook ’s nachts te lopen. Soms rond 1.00 uur, soms rond 3.00 of 4.00 uur.

De nacht heeft iets magisch, iets veiligs. Er is niemand. De straten zijn van jou.

Sameena: ultraloopster en voorvechtster om het taboe rondom mensenhandel te verminderen.

Haar nachtelijke trainingen werden ook langer en ze genoot van het alleen zijn, de stilte of de muziek op haar oordoppen zonder dat ze alert hoefde te zijn op haar omgeving. Eigenlijk is er wat dat betreft weinig veranderd. Ook nu nog is alleen hardlopen datgene wat ze het liefste doet. Op haar werk als verpleegkundige in een verzorgingstehuis worden ze geregeld gek van haar, als ze als een ADHD’er over de afdelingen stuitert. Dat onrustige zit er nu eenmaal in. Ze ís druk. Maar met haar hardloopschoenen aan, verandert ze in een rennende zenboeddhist. Als ze tien jaar geleden geld had gehad, was ze vermoedelijk nooit gaan rennen op haar oude gympen, maar had ze zich aangemeld bij een kickboksschool om haar verdriet en agressie eruit te slaan. Zoals Lucia Rijker. Ook het boeddhisme zoals Rijker het beschrijft in haar boek Bokser en Boeddhist spreekt tot verbeelding. Een ultraloop heeft iets meditatiefs. Vooral het punt dat je het gevoel hebt buiten jezelf te komen en boven jezelf gaat hangen, is een aangename staat van zijn. Je moet tot op zekere hoogte ook wel buiten jezelf treden. Op een 100 kilometer is nauwelijks in te schatten hoe lang je erover gaat doen, dus je weet ook niet hoe hard je moet starten. Sameena start bij voorkeur hard. Als je er dan na 70 kilometer achterkomt dat je te hard bent gestart, heb je toch alvast 70 in the pocket. Dan hoef je er nog maar 30. Voor gewone stervelingen is dat ver genoeg om er de brui aan te geven, maar de kunst is dan om je niet te identificeren met de pijn en gewoon je ritme te houden. Naast haar geslaagde nationale record op de 100 kilometer en haar buitengewone prestatie tijdens een 24-uurs race (183,3 kilometer) of de 500 kilometer in zes dagen voor Serious Request gaat het ook bij het ultratalent weleens mis. Bij een 100 kilometer op een baan is ze eens uitgestapt en een 24-uursloop in Barcelona bleek eens te veel van het goede. Eén keer is ze tijdens een wedstrijd buiten bewustzijn geweest. Op Texel. Na 90 kilometer van de 120 zakte ze neer. De schrik zat er daarna wel even in, maar de drang naar lopen was al snel weer sterker. En eigenlijk vond ze het wel geruststellend. Ze kon dus gewoon grenzen verleggen, want haar lichaam gaf zelf wel een seintje als het teveel bleek. En dus doet Sameena wat ze het liefste doet: rennen, rennen en rennen. Hoe sterk de behoefte aan hardlopen is, blijkt uit haar training op 10 september 2018. Om 7 minuten over vijf in de morgen trekt ze de voordeur dicht en gaat ze 9 kilometer hardlopen. De straat uit en zo snel mogelijk het bos in. Een constant tempo rond 5:46 min/km. Snelheid en afstand zijn niet belangrijk en ook het vroege tijdstip is voor de loopster niet bijzonder. Maar het is nog geen 36 uur na de finish op de 100 kilometer waar ze Nederlands kampioene werd.

Van een verslaving is geen sprake en ook haar anorexiaverleden boezemt haar geen angst in. Ja, ze loopt graag 20 kilometer vóór een ontbijt en ja, ze wil ie-de-re dag rennen onder andere om haar ADHD, haar angsten en verdriet te beteugelen. Maar een verslaving is destructief en zorgt dat je geen oog hebt voor de buitenwereld en je omgeving. Terwijl je van rennen juist opener en vriendelijker wordt. Naar anderen en voor jezelf. Dus laten we dat doen: hardlopen. Ver en zonder doel. Want dat is het mooiste. Rugzakje op en zien waar je uitkomt.

Meer mooie en inspirerende verhalen lezen? Neem een abonnement op Mystical Miles en mis geen enkel verhaal meer!

Kintsugi

Kintsugi

Door: Léonie van den Haak

Hieronder een fragment uit het verhaal van ultraloopster Léonie van den Haak. In 2012 liep ze de Spartathlon (246km) en eindigde als achtste. Sinds 2017 woont ze in hartje Tokio, waar ze marketing director Tokyo is voor adidas. Voor ons schreef ze een prachtig verhaal over scherven, theeceremonies en jezelf bij elkaar rennen.

De vaas die ik ben, vertoonde al op jonge leeftijd breuken. Of eigenlijk was mijn vaas zo goed als in tweeën gebroken. Twee delen die op een of andere manier weer aan elkaar gelijmd moesten worden. Net als de theeceremonie en de neonlichten niet met elkaar te rijmen lijken, leek het ook een lastige klus om de twee scherven van mezelf dichter bij elkaar te brengen. Van de keiharde realisatie dat alles van waarde weerloos is, tot het onvermoeibare najagen van dromen dat uiteindelijk altijd tot het verlangen naar weer nieuwe dromen leidt. Doodvermoeiend bij vlagen, maar uiteindelijk de enige manier waarop ik functioneer. Theeceremonie, neonlicht. En hardlopen als de gouden lijm die het verbindt. De lijm die misschien wel waardevoller is dan de scherven zelf, maar zonder die scherven niks waard is.”

Fotografie: Lee Basford

Hey dirtbag

Hey Dirtbag

Door: Tim van der Veer

Is het verhaal echt of is het fictief? Tim van der Veer schreef voor de eerste editie een prachtig verhaal over ene Bill McGuire.

Mijn naam is Bill McGuire. Ik woon in Santa Monica, aan de zuidkust van Californië. Vorige maand ben ik 86 jaar geworden. Nu ik het hardop zeg, heb ik het gevoel dat ik lieg. Het kan niet waar zijn. Maar als ik in de spiegel kijk, zie ik wat zich het best laat omschrijven als een geïmplodeerde versie van mezelf. Dus kijk ik liever niet in de spiegel. De blikken van de mensen op straat volstaan. Vriendelijk lachen ze naar me, een goedaardige geest uit verdwenen tijden. Ik heb er vrede mee, misschien klopt het wel. Weet je, ondanks dat het me dertig minuten kost om achthonderd meter af te leggen van mijn appartement aan Georgina Avenue naar de Beach Club voor mijn dagelijkse kop koffie, ben ik een hardloper. Eens een hardloper, altijd een hardloper. Als ik hier op het terras mijn ogen sluit, het verkeer wegdenk en me concentreer op het zuchten van de zee, ren ik over het strand. Dan schuurt het zand onder mijn voeten, suist de lucht door mijn oorschelpen. Veel heb ik te danken aan hardlopen. Vrienden, liefdes. Zoveel verhalen. Laat me je er  eentje vertellen, over iemand, die ik slechts drie keer vluchtig ontmoette maar desondanks nooit zal vergeten, een echte dirtbag, net als ik.”

Jere van Dyk; de loper, de gevangene, de journalist.

Jere van Dyk; de loper, de gevangene, de journalist.

Door: Jere van Dyk

Jere van Dyk is een voormalig hardloper voor de University of Oregon. Zijn artikelen voor The New York Times over de Sovjet-invasie in Afghanistan leverde hem een Pulitzer Prize-nominatie op. Veel van zijn artikelen en rapportages (o.a. voor CBS) spelen zich af in afgelegen en gevaarlijke plekken op aarde, zoals Afghanistan en Pakistan. Zijn boek Captive –
My Time as a Prisoner of the Taliban is in het Nederlands vertaald als Gevangene van de Taliban.
De adviezen over leven in coronatijd – die hij in zijn verhaal voor Mystical Miles beschrijft – zijn in april 2020 gepubliceerd in The Wall Street Journal.

Elke ochtend deed ik push-ups. Elke ochtend ging ik op mijn rug liggen en duwde mijn benen omhoog, handen in de zij, en bewoog mijn benen alsof ik aan het fietsen of hardlopen was. In gedachten was ik de kleine jongen die met zijn vader leert fietsen. In gedachten was ik de loper op de training, luisterend naar de coach naast de baan. Als ik wilde ontsnappen, moest ik fit zijn om lang en snel te kunnen rennen. De oefeningen deden me ontspannen. 

Op een dag vertelde een van de bewakers dat de zoon van een Taliban-bevelhebber een nieuwe nier nodig had. Misschien zouden ze die van mijn nemen. Dat was alles. Hij ging weg en ik bleef achter, rondjes lopend in de ruimte. Ik vertelde tegen mijn bodyguards en mijn gids dat ik zou ontsnappen. Ik zou ontsnappen en wegrennen. Later die nacht werden we naar buiten geleid om gebruik te maken van een klein houten toilet. Een bewaker kwam naar me toe. Hij zei dat als ik zou proberen te ontsnappen, als ik weg zou rennen, hij me als een dolle hond zou achtervolgen.”

Angst in Finland

Angst in Finland

Door: Koen de Jong

‘Wat ga jij doen?’ Marco trekt de deur snel dicht om de kou buiten te houden en stampt sneeuw van zijn boots.

‘Een rondje om het eiland rennen,’ zeg ik en ik leg een dubbele knoop in mijn hardloopschoen.

‘Nu?’ Marco legt een stapel houtblokken naast de deur en blaast in zijn handen. IJspegels hangen in zijn baard.

‘Ja,’ antwoord ik. ‘hoeveel kilometer denk jij dat het is?’

 ‘Ik schat een kilometer of zes. Maar het vriest 20 graden en het is pikkedonker,’ Marco kijkt zelfs een beetje ongerust

De man van 1meter90 met zijn woeste baard heb ik nog nooit ongerust of bang gezien. Die ging anderhalf jaar geleden zonder angst zijn droom achterna en verkocht zijn huis in Klazienaveen om een oude, verlaten school te kopen in Noord-Finland. Hij hakt hout, hij stapt zo met zijn blote kont in een wak bij min 25 graden en als hij vis wil eten, gaat ie eerst een uur wakvissen om zelf zijn vis te vangen. Ik zit hier nu vier dagen en de natuur heeft me bij de kladden. Zo stil. Zo donker. Het is prachtig. Maar ook beangstigend. Aan een meer van 70 kilometer lang met alleen maar sneeuw en bos heb ik met regelmaat het gevoel dat ik er als mens niet hoor.

Elanden, beren en veelvraten: die horen hier, wij niet.

Het is anders dan in de Alpen of de Himalaya, waar mensen met eerbied voor de natuur paadjes en dorpen hebben aangelegd. Dat is ook indrukwekkend, maar als mens voel ik me er toch gewenst, je bent onderdeel van het geheel. Hier bekruipt me geregeld het gevoel dat het ongepast is, dat ik er ook ben. Maar kort na dit soort gedachtes, stappen we vanuit de sauna zo een wak in en voel ik me weer onoverwinnelijk en sterk. We zijn met een mooi cluppie avonturiers en beleven de mooiste dingen. Vanmorgen deden we een run-dip-run (ja, dat is wat het lijkt) op het meer en hebben we wat mooie beelden gemaakt. Nu wil ik alleen een rondje lopen om het eiland heen, dat ik vanmorgen zag liggen.

‘Zes kilometer, dat is perfect,’ zeg ik. ‘Met 30 centimeter sneeuw op het ijs, ben ik wel even onderweg. Maar over een uur ben ik terug.’

‘Heb je een lampje mee?’ vraagt de woeste baardman.

‘Nee, die sneeuw is zo wit, dat eiland met die bomen kan ik wel onderscheiden. Het noorderlicht schijnt wel bij,’ grap ik want tot onze spijt hebben we dat nog niet gezien.

‘Neem wel je telefoon mee, voor het geval er iets gebeurt,’ zegt Marco.

‘Nee man, ik blijf vlakbij. Zes kilometer rond dat eiland. Er kan niks gebeuren,’ zeg ik een tikkie stoerder dan ik me voel. Want als ik naar buiten kijk en ik zie het donkere gat waar ik heen ga rennen, voel ik wel wat vrees.

‘Als jij nu met deze temperatuur, in het pikkedonker het meer op wilt, hou ik je niet tegen. Ik ken je goed genoeg om te weten dat als jij iets in je kop haalt, je toch wel gaat. Maar als-je-blieft, steek je telefoon in je zak. Dat als jij je poot verzwikt, dat je wat kan laten weten vóór je bloed is vastgevroren aan je aderen.’ Marco is stellig en ik steek mijn telefoon bij me.

Ik adem de koude lucht in door mijn mond en bedenk me gelijk dat het slimmer is om door mijn neus te ademen. De koude lucht prikt op mijn longblaasjes

De 300 meter van de voordeur naar het meer, dribbel ik licht en tevreden vanwege een naderend avontuur en met een sprongetje spring ik het bevroren meer op. Boven me een sterrenhemel met zoveel sterren dat de donkere lucht zonder ster in de minderheid lijkt.

Kgggrrh. Kgggrrh. Kgggrrh. Kgggrrh.

Iedere stap zak ik een centimeter of tien weg in de sneeuw. Ik denk aan wat Marco zei over een verzwikte enkel. Daar had ik helemaal niet aan gedacht. Vanmorgen was ik hier ook. Met twee anderen, in het licht. Nu alleen in het donker, nestelt zich een angst in mijn hart. Ik adem diep in en uit en praat mezelf moed in. Dit is mooi. Het is prima dat het ook eng is.

Kgggrrh. Kgggrrh. Kgggrrh. Kgggrrh.

Het is zwaar, de kou voel ik nauwelijks meer. Mijn richtingsgevoel laat me in het donker in de steek, de bomen rechts zijn dichterbij dan ik had verwacht. Het eiland is echter goed zichtbaar, als ik het eiland links houd, loop ik vanzelf een rondje.

Kgggrrh. Kgggrrh. Kgggrrh. Kgggrrh.

Dan schiet mijn hart in mijn keel

Mijn rechtervoet zak door een ijslaag en is drijfnat.

Ik zak door het ijs.

Over mijn rug stroomt wat angstzweet van mijn nekharen naar beneden.

Het water stroomt ook van beneden nog steeds mijn rechtervoet in, maar ik zak niet door het ijs en ik zet vlug mijn linkervoet naar voren. Daar gebeurt hetzelfde en ook mijn linkervoet schept water. Na zes snelle en natte passen draai ik om en ik wil zo snel mogelijk naar de open haard. Na acht passen op de terugweg blijft mijn voet weer gewoon op de sneeuw staan. Pfieuw. Nu terug naar huis. Als ik een paar honderd meter verder wat meer ontspannen ben, bedenk ik dat mijn angst om door het ijs te zakken, bezopen is. Het is al maanden tussen 10 en 30 graden onder nul. De Finnen stappen op een sneeuwscooter van 300 kilo en steken daarmee het meer over. Het bestaat niet dat ik met mijn 60 kilo door het ijs zak.

Er moet een verklaring zijn voor het water.

Ik ben bij het begin van het eiland en besluit een nieuwe poging te doen. Met mijn hart nog in mijn keel, neem ik een bocht naar rechts en houd nu het eiland aan mijn rechterhand. Een vallende ster. Ik doe een wens en loop door. Er knettert een gekke combinatie van enorme angst en enorme kracht door mijn lijf. Nog even en ik ben bij hetzelfde punt als waar ik net water schepte. Nu kom ik van de andere kant. En wat eerder dan ik verwacht zak ik door een laagje vastgevroren sneeuw en het water is hier wat dieper. Mijn hele schoen wordt zeiknat, tot net onder het randje van mijn sok. Mijn hart schiet mijn keel weer in en ik trek een sprint, voor zover dat gaat met natte, gladde schoenen in sneeuw waar ik diep in wegzak.

Tranen prikken in mijn ogen. Geen idee of het van de kou, de angst of wat anders is. Maar met waterige ogen zie ik een lichtstreep recht voor me. Er brandt een lampje bij de blokhut aan het water. Daarachter zie ik ook het licht van de omgebouwde school. Als ik van het ijs op de vaste grond stap, kijk ik even achterom. ‘Dank je,’ fluister ik. Want na de kracht, volgt een golf van dankbaarheid en ik dribbel licht en tevreden het paadje naar de voordeur.

‘Gelukkig, je bent terug.’ Marco komt me met een grote grijns tegemoet.

‘Ja,’ zeg ik zacht. Het geluid van mijn stem is verder weg dan ik dacht.

‘Koffie, thee of wat sterkers?’ een kameraadschappelijke klop op mijn schouder.

‘Doe maar een kop thee en een whisky,’ antwoord ik. ‘Maar eerst droge sokken.’

‘Drink jij dat dan?’

‘Vandaag wel, mijn hart kan wel een oppeppertje gebruiken.’

‘Zat er een beer achter je aan, daar in het donker?’ een harde lach en nog een klap op mijn schouder.

‘Nee, geen beer. Maar ik heb wel wat angst uitgezweet. Angst die nu boven het meer aan het verdampen is.’

‘Kom mee naar de haard, warm op en vertel.’

Meer van dit soort verhalen? Word abonnee van Mystical Miles en het eerste magazine ploft binnenkort bij je op de mat.

Meer weten over de locatie in Finland? Bekijk Taiga School (of boek meteen kamer).

Steve Prefontaine

Steve Prefontaine

Door: Wiep Idzenga

Cultheld Steve Prefontaine wordt in onze eerste editie fantastisch beschreven door Wiep Idzenga.

Wiep schrijft voor een groot aantal magazines over voetbal en reizen. Ook schreef hij voetbalboeken en een wielerboek. Drie daarvan eindigden bij de eerste drie bij de Nico Scheepmaker Beker, de prijs voor het beste sportboek van het jaar. Zijn laatste boek gaat over de relatie/rivaliteit tussen Wout van Aert en Mathieu van der Poel.

Hieronder een fragment uit zijn verhaal over Prefontaine.

“The best pace, is a suicide pace, and today is a good day to die”

“Wat hij aan techniek ontbeerde, compenseerde Prefontaine ruimschoots met energie en hartstocht. Hij liep onstuimig, met hart en ziel. Door zijn kortere linkerbeen helde hij een beetje over naar het middenterrein. Als een schaatser hing hij in de bochten, altijd met zijn sprekende, wijdgeopende ogen strijdlustig naar voren gericht, verlangend naar wat komen ging. Zijn tegenstanders keken plichtmatig naar het stukje tartan voor hun voeten, alsof ze geen plezier hadden in lopen. Prefontaine verafschuwde dat. Hij liep omdat hij niets liever deed. Hij zag zichzelf als een artiest die de toeschouwers iets moois en creatiefs wilde voorschotelen. Iets dat ze nog nooit hadden gezien en ook nooit zouden vergeten. ‘Some people create with words or with music or with a brush and paints. I like to make something beautiful when I run.’”