Recht erop af

Recht erop af

Tekst: Anne Rats

Maar ik weet niet hoe

Ik leun op een stapel grote stenen en buig mijn hoofd. De zon brandt in mijn nek. Ik kan het niet meer ontkennen. Het is vijf voor zes, ik ben negeneneenhalf uur onderweg geweest door een bergketen in Zuid-Spanje, ik had er negen uur over willen doen en ik ben geloof ik echt verdwaald nu. Ik check mijn telefoon: nog elf procent batterij en mijn bereik is al uren geleden weggevallen. Fuck. Ik vervloek mezelf. Niet dit… Ik loop al uren, mijn laatste fles is bijna leeg, het eten is op en de zon gaat over drie uur onder. Dan wordt het weliswaar koeler, maar ik liep al een hele dag in de bloedhitte en ik moet zorgen dat ik bij het einde kom. Maar ik weet niet hoe. Ik zak neer op de stenen en hijg uit. De drang om kort mijn ogen dicht te doen, te slapen, is overheersend.

Heel even maar doe ik mijn ogen dicht en ik zie hem al. Ik hield van hem. Ik hield van zijn grote blauwe ogen en zijn vinnige gebaren. Van hoe hij aan de tafel verzonken zat in zijn werk als ik thuiskwam. Van zijn neuriën als hij de trap op- en afliep. Van dat hij veel meer in me zag dan ik ooit in mezelf had gezien.

Mijn ogen schieten weer open en ik trek mezelf overeind. Tijd om te gaan. Ik kwam hier om juist dit te begraven. Hij is er niet meer.

Daarom trok ik een jaar of wat geleden hardloopschoenen aan en ging ik op weg. Steeds verder en verder. Hoofd uit, lijf aan, de voeten laten spreken. Onderweg, lopend, leek mijn hart minder gebroken dan wanneer ik stilstond. De herinneringen verdwenen naar de achtergrond en het doffe tikken van mijn voeten namen het over. Als ik die eerste maanden na een tijd lopen de sleutel van de voordeur in het slot stak, voelde ik me alsof ik mezelf weer terughad. On top of the world. Je zou kunnen zeggen dat ik een expert was geworden in het weglopen van mijn probleem. Zelf zei ik als me ernaar gevraagd werd altijd lachend dat ‘rouwen en rennen blijkbaar heel goed samengaat’.

Maar was dat wel zo? Want dat gevoel duurde altijd maar even. De morning after voelde ik me vaak weer even machteloos. Dan trok ik mijn schoenen weer aan. En ging ik weer. Hoofd uit, lijf aan, de voeten laten spreken. Tot het moment dat ik ergens geparkeerd langs de kant van de weg stond omdat ik dacht dat ik hem zag. Met dat donkere petje op, voorzichtig voet voor voet zettend. Mopperend op een wielrenner die te vlak langs hem ging. Het fluitje fluitend zoals we hadden afgesproken als we elkaar zouden kwijtraken.

Op zomervakantie in Zuid-Spanje kreeg ik een goed idee: de bergen in. Het was een welkome afwisseling van de geasfalteerde heuvels die ik al wekenlang beliep. Het zou lang en lastig lopen worden, maar niets waar ik me niet op kon voorbereiden. Ik kende de omgeving. Ik kom hier namelijk al jaren. Deze bergketen ken ik dan niet specifiek, maar bergen heb ik al vaker bedwongen, rennend. En waar rennen niet ging door de hellingshoek of oneffenheden, wandelend en mijn handen gebruikend om de rotsen vast te houden. Er zijn kettingen en touwen, maar dit kan ik. Het voelde passend: een flinke uitputtingsslag maken in die bergen, een pelgrimstocht maken, bijna. Iets achter te laten daar, op de berg. Hem achterlaten? En het ging ook goed. Tenminste: aan het begin van de dag. Ik had al lang en breed aan het eindpunt van mijn route moeten zijn, maar ik lijk er nu, hier bij dit stapeltje stenen, nog ver van verwijderd.

Hoofd uit, lijf aan,
de voeten laten spreken.

Mijn telefoon is bijna leeg, de navigatie op mijn sporthorloge vertoont kuren en valt af en toe weg. De route is de hele dag al volledig blootgesteld aan de zon en ondanks mijn pet, die ik trouw nat maak met water, begin ik dat te voelen. Het is een soort mist en ik probeer mijn focus te vinden. Ik check mijn horloge, dat doet het en wijst een flauwe bocht naar rechts aan. Ik zie een slingerend pad naar beneden en ik denk dat ik goed zit. Hoofd uit, lijf aan, de voeten laten spreken. Komaan. Ik stuiter door het stof naar beneden. Dalen kan ik niet per se goed, ik ben beter in klimmen, maar nu vlieg ik naar beneden langs een prachtig pad. Het is groen voor de tijd van het jaar. Ik duw de gedachte weg dat hij ook geen gevoel voor richting had. Ik duw de gedachte aan de slaapliedjes weg, aan de gefaalde pianolessen, aan zijn en mijn ongeduld. Ik moet er ook om grinniken. Hij zou maar wat trots geweest zijn als hij had meegekregen hoeveel kilometers ik ondertussen al te voet heb afgelegd. En dat ik ooit in mijn eentje een berg op zou gaan, dat had hij nooit verwacht. Die gedachte en dat ik bijna zeker ben dat ik de weg terug heb gevonden, vervult me met een wilde trots en hoop. Het pad zwenkt een paar keer naar links, langs de enorme stenen muren van de bergen. Het wordt smaller en leidt naar een rotsgebied. Ik zwalk even, stenen rollen weg onder mijn voeten en ik vertraag mijn pas. Oppassen nu.

Ik laat me even op de grond zakken en dan zie ik het. Het stapeltje stenen waar ik net bij in de buurt heb uitgerust. Ik heb een rondgang gemaakt. Ik vloek. Ik voel me opeens kotsmisselijk en mijn zicht vertroebelt, alsof ik nog maar een halve meter om me heen kan zien. Is dat de hoogte of is het paniek? Ik sluit mijn ogen even en zie hem weer voor me. Als ik mijn ogen opendoe zie ik hem nog steeds. Dat is gek. Ik wrijf in mijn ogen, maar het is zo.

Daar staat hij, vlak voor me. Hij kijkt me aan met zijn licht opengesperde blauwe ogen. Met zijn donkere petje. Precies zoals hij altijd was. Alle vezels in mijn lijf willen maar een ding: op hem afrennen en hem vastpakken. Dus ik ren op hem af. Ik ren niet van hem weg, ik ren eindelijk rechtstreeks op hem af. Op mijn pijn af. Het gemis. Ik wil voelen hoe hij aanvoelde, ruiken hoe hij rook, hem horen spreken, want ik ben ondertussen al vergeten hoe zijn stem klonk. Dan ben ik bij hem. En ik houd hem vast. Heel lang. Net als vroeger. Hortend en stotend probeer ik hem alles te vertellen over alles wat hij heeft gemist, maar hij kijkt me alleen maar aan en reageert niet. En dan draait hij zich om en heft zijn hand op en met een sierlijke maar duidelijke handbeweging, zoals altijd, wijst hij me de weg. Ik zie een tunnel, waarvan ik heb gelezen dat er een gebied van kreupelhout komt en een steengroeve. Dan ben ik er. Achter zijn schouder ligt het pad dat ik moet nemen. Het klopt. Ik wil nog iets zeggen, maar hij is er niet meer. Ik schud mijn hoofd, maar hij is echt verdwenen. Ik moet alleen door.

De zon is bijna onder en maakt prachtige contrasten met donkere schaduwen en fel belichte hellingen. De route is indrukwekkend. Nog twee downhills en een klein klimmetje en dan ben ik er. Eindelijk. Ik ga tegen een muurtje aan zitten. Voor een aantal minuten voel ik me beroerd, maar dat gevoel trekt na een tijdje weer weg. Ik veeg de tranen van mijn wangen en voor ik vertrek kijk ik nog een keer naar de berg waar ik vandaag dan uiteindelijk, met die harde kop van me, leerde dat je nooit kunt weglopen van je problemen.

Eigenlijk loop je er altijd recht op af.

Mystical Miles

Dit verhaal van Anne Rats is te lezen in editie 8 van Mystical Miles. Bestel het losse nummer voor nog veel meer mooie verhalen of word abonnee en ontvang het magazine 4x per jaar op je deurmat.