Lopen naar verlichting

Lopen naar verlichting

Tekst & beeld: Inneke Albers

Na een lange reis over de werekd en door de instituties ben ik eindelijk waar ik wilde zijn: in de duisternis, de verblindende duisternis, van half 3 ‘s nachts op een Japanse berg.

Tussen de dicht opeenstaande dennenbomen zie ik het zwakke licht van de grote tempel, verder is alles zwart. In de verte klinkt herhaaldelijk een typisch geluid. Klap, klap … klap, klap … klap, klap. Steeds weer drie keer twee klapjes, met tussenpozen herhaald, de ene keer zwak en heel ver weg, dan weer lijkt het heel dichtbij. Het is geen nachtdier, maar het handgeklap van vier monniken en ik sta op ze te wachten.

Dan opeens duikt er uit de donkerte die mij omringt een engelachtige verschijning op, veel dichterbij dan ik had verwacht. Het is een gestalte in het wit die ter hoogte van zijn borst een felle, wild slingerende lamp draagt waarmee hij opgeschrikte lichtgeesten door het bos doet fladderen. Eerst ben ik degene die zich wezenloos schrikt, en enige seconden later, wanneer de engel mij in het oog krijgt, schrikt hij zichtbaar van mij. Hij richt zijn lamp even op mij en is meteen gerustgesteld: o ja, de Nederlandse. Vlug wendt hij zijn blik weer af; hij pakt zijn rozenkrans en beweegt de houten kralen tussen zijn handen langs elkaar. Dat maakt een ratelend geluid en dat geluid zal de honderden mantra’s die de vier boeddhistische kaihōgyōmonniken vannacht reciteren voortdurend begeleiden. Rrrrr-rrrr-rrrr oembadah-oembadah-oembadah rrrrrr- rrr oembadah-oembadah-oembadah-jàh … klap, klap … klap, klap … klap, klap. Intussen zijn ook een tweede en een derde monnik aangekomen op de plek waar ik sta en het geratel van hun rozenkransen, het gemurmel van hun stemmen en het geklap van hun handen lijkt nu van alle kanten te komen, alsof ook de bomen aan het bidden zijn geslagen. Hier worden goden vereerd die ik niet ken, op een manier die mij volkomen vreemd is.

De kaihōgyō (de oefening van de rondgang over de berg) is een pelgrimage langs een gedeelte van de vele honderden heilige plaatsen op een berg die als geheel als heilige ruimte geldt. Het is een esoterisch en geheim ritueel, dus eigenlijk is het niet de bedoeling dat er toeschouwers bij zijn; ik heb dan ook behoorlijk moeten aandringen om hier midden in de nacht te mogen staan. De monniken worden verondersteld op hun nachtelijke tochten alleen te zijn en contact te leggen met het goddelijke door het reciteren van mantra’s, begeleid door mystieke handgebaren die mudra’s heten.

Marathonmonniken werden ze door John Stevens genoemd in het enige boek in het Engels dat over hen is verschenen. Dat is enerzijds misleidend, want bij het woord marathon stellen wij ons rennende atleten voor, die met een gemiddelde snelheid van ergens tussen de 10 en de 20 kilometer per uur een parcours van 42 kilometer over een min of meer vlak terrein afleggen, enkele keren per jaar en in wedstrijdverband. De kaihōgyōmonniken op de berg Hiei bij Kyoto rennen niet, maar houden een straf wandeltempo aan en dat kan ook niet anders, want het terrein waarop ze lopen bestaat uit hellingen die voor een deel te steil zijn om te rennen. De afstand die ze afleggen, is ongeveer 35 kilometer, niet enkele keren per jaar, maar honderd nachten achtereen. Ze vertrekken om een uur of een ‘s nachts, en rond acht uur ’s morgens zijn ze weer thuis. Dan nemen ze een bad en eten ze een ontbijt, om dan te beginnen aan hun dagtaak, want het is niet zo dat wie ’s nachts 35 kilometer over de berg heeft gelopen, overdag zou mogen slapen. Pas tegen een uur of zes ’s avonds eindigt de dag en kunnen de monniken van een paar uur rust genieten. Om middernacht moeten ze weer in de tempel zijn om te bidden tot Fudō Myō-ō, de godheid van de kaihōgyō en daarna gaan ze weer op weg. Dat gaat zo van eind maart tot begin juli, nacht na nacht, en op een heel sober en strikt vegetarisch dieet. Van competitie is geen sprake, hier wordt gelopen voor verlichting van de geest. Onderweg moeten ze bovendien op ruim 250 plaatsen voorgeschreven rituelen verrichten.

Hun mond zingt het lied waarop hun handen dansen om de God in zijn nachtelijke eenzaamheid te plezieren.

Anderzijds is de betiteling marathonmonniken volstrekt op haar plaats, al zou ultramarathonmonniken misschien nog beter zijn: de lichamelijke inspanning die hier wordt geleverd, is er een van de lange duur, waarbij het niet gaat om snelheid, maar om uithoudingsvermogen. En wat uithoudingsvermogen betreft, zijn de kaihōgyōmonniken waarschijnlijk tegen alle andere duursporters opgewassen.

Toen ik voor het eerst de kaihōgyōmonniken in levende lijve zag, was ik perplex. Het was heel anders dan ik me had voorgesteld aan de hand van de boeken en films over de monniken. De intense duisternis, de engelachtige, bijna transparante figuren die opeens tussen de bomen opduiken, het handgeklap dat je al hoort opklinken in de stilte lang voordat de monniken te zien zijn, het mantragemurmel en het ingewikkelde ballet van mudra’s dat de monniken opvoeren met hun handen, van dat alles kun je je geen voorstelling maken zonder er zelf bij te zijn geweest.

Deze lopers denderen niet puffend en hijgend, ploeterend en stampend, zwetend en dampend door tot ze bij de eindstreep zijn. Zij moeten om de paar minuten stoppen om een godheid in volledige kalmte en met al hun aandacht aan te spreken met precies de goede woorden en precies de goede gebaren. Hun mond zingt het lied waarop hun handen dansen om de god in zijn nachtelijke eenzaamheid te plezieren.

De katoenen kleding ‒ dierlijke vezels zijn taboe voor boeddhistische monniken ‒ is wit, de kleur van de dood, en aan zijn blote voeten draagt de monnik strosandalen die uit niet meer bestaan dan een zool en wat touwtjes. Daarvan worden er alleen al tijdens de honderddagenkaihōgyō tientallen paren versleten; de kapotte sandalen worden niet meteen weggegooid maar zolang de monnik bezig is met zijn pelgrimage opgehangen aan de buitenmuur van zijn verblijf. Wie de stenige paden ziet waarover ze in het donker op vrijwel blote voeten hun weg moeten zoeken, begrijpt dat er ook een flinke voorraad pleisters doorheen gaat.

De monniken die ik zag waren leerlingen die de honderddagenkaihōgyō deden als onderdeel van hun opleiding. De echte kaihōgyō duurt echter duizend dagen. Wanneer een monnik aan de duizenddagenkaihōgyō wil beginnen, moet hij bereid zijn om zich twaalf jaar terug te trekken in het klooster Mudō-ji. In die periode mag hij de berg niet verlaten anders dan in het kader van de kaihōgyō. De screening vooraf door de leiding van het klooster is bijzonder streng, want voor wie eenmaal is begonnen, is er geen weg terug. Stoppen is geen optie, en opschorting wegens ziekte of een ernstige blessure ook niet; de duizenddagenkaihōgyō is heel letterlijk een zaak van leven en dood. Niet alleen omdat de route zo gevaarlijk is of omdat de monnik door de fysieke en psychische stress tot op de rand van de absolute uitputting terecht komt, maar vooral omdat hij zich vooraf heeft verplicht om zelfmoord te plegen wanneer hij aan de pelgrimage is begonnen en die niet kan volbrengen. Een gebroken been is een doodvonnis. Sinds het begin van de twintigste eeuw zijn er echter, naar verluidt, geen sterfgevallen meer geweest door ongelukken, uitputting of zelfmoord. De officiële verklaring daarvoor is dat de monniken die toestemming krijgen om aan de duizenddagenkaihōgyō te beginnen zo vastbesloten zijn om hun taak te volbrengen, dat het altijd lukt. Dat lijkt me sterk, dus er zal wel ergens een mouw aan gepast worden wanneer dat nodig is. Ondanks die gruwelijke voorwaarden zijn er toch nog steeds monniken die de uitdaging op zich nemen: de abt die ik ontmoette was de dertiende – en op dat moment (2010) laatste – monnik van na de Tweede Wereldoorlog die de duizenddagenkaihōgyō volbracht.

De duizend pelgrimages worden verdeeld over een periode van zeven jaar. In de eerste drie jaar wordt ieder voorjaar weer het programma van de honderddagenkaihōgyō gevolgd (in het voorjaar 100 nachten achter elkaar een tocht van 35 kilometer over de berg). Deze drie jaar worden beschouwd als de trainingsperiode, want in het vierde en vijfde jaar begint de grote uitdaging en moeten er telkens tweehonderd pelgrimages achtereen worden gemaakt, zodat de monnik ook gedurende de hele natte en warme zomer zijn nachtelijke tochten over de berg moet maken. Na vijf jaar zijn er zo zevenhonderd pelgrimages over de berg gemaakt.

In het zesde jaar wordt er weer honderd dagen gepelgrimeerd, maar nu 60 kilometer per dag, gedeeltelijk over een zeer steil parcours, en met 260 staties. Dat betekent dat er veertien tot vijftien uur per etmaal gelopen moet worden, steeds weer vanaf kort na middernacht. In het zevende en laatste jaar staan er twee pelgrimages van honderd nachten op het programma, en ook deze nachten duren tot ver in hun dagen. Tijdens de eerste pelgrimage, de Kyoto ōmawari (het grote circuit van Kyoto) geheten, wordt honderd keer bijna 80 kilometer gelopen. Deze route voert door de stad en naast zijn stops bij de meer dan driehonderd staties, moet de monnik tijdens zijn tocht ook voortdurend stilhouden voor mensen die door hem gezegend willen worden. Die zegening bestaat uit een flinke tik met de houten rozenkrans op het hoofd en op de beide schouders van de gelovige. Op deze zwaarste van alle routes krijgt de monnik de hulp van duwers, mensen die achter hem lopen en hem met een gewatteerd plankje op een stok voortduwen. Dat is voor de buitenstaander een komisch tafereel, maar een geoefende duwer kan een grote hulp zijn voor de kaihōgyōmonnik.

De tweede serie van honderd dagen voert weer over het reguliere circuit van 35 kilometer en vormt de afsluiting van de duizend dagen, waarmee de pelgrimage is voltooid. Alleen worden er van die laatste honderd dagen maar vijfenzeventig gelopen, omdat ‘het niet goed is volmaaktheid na te streven’. De monnik is door zijn heroïsche onderneming weliswaar Daigyōman Ajari (Heilige Meester van de Hoogste Beoefening, in de volksmond ‘levende boeddha’) geworden, maar toch net niet helemaal; het is hem vergund ook een onvolmaakt mens te blijven. ••

Mystical Miles

Dit verhaal van Inneke Albers is te lezen in editie 2 van Mystical Miles. Bestel het losse nummer voor nog veel meer mooie verhalen of word abonnee en ontvang het magazine 4x per jaar op je deurmat.