Klei en slib en gedachten

Klei en slib en gedachten

Tekst & beeld: Lidewey van Noord

Ten oosten van de Iessel is ’n ei gien lege dop in het land van de wiezen komp de zunne op.

Op kindertekeningen is water blauw, nooit het grijsgroen van de ijssel op deze winterse ochtend. Blauw, net als de hemel. En het gras is groen, de zon geel, de wolken zijn wit. Bomen hebben bruine stammen en takken. Tekenen kinderen de wereld op die manier omdat we het ze zo leren? Is dit wat we ze vertellen? Een volwassen vinger wijzend naar een kleurplaat: ‘dat is water. Dat moet je blauw maken.’ of gaat het anders? Denken we allemaal dat dit waarheden zijn omdat kinderen het zo tekenen?

Deze ochtend lijkt in niets op een kindertekening. De stad met haar eeuwenoude grijze en bruine torens is haast geheel verzwolgen door de mist. De oevers zijn bruin, harig bijna, alsof ze onder een wintervacht zijn weggedoken. Het gras van de berijpte weilanden is niet het diepgroen uit het pakje kleurstiften, ook niet het frisgroen, maar een vale mintkleur. Er zijn wolken, maar niet de kringelige witte wolkjes die met vier poten en een kop schapen zouden worden. Het is een zwaar, dik, grauw wolkendek. Over de zon hoeven we het niet eens te hebben. Niet alleen gaat hier een rivier traag door oneindig laagland, ‘de lucht hangt er laag en de zon wordt er langzaam in grijze veelkleurige dampen gesmoord’. H. Marsman wist het ook, dat holland zelden op een kindertekening lijkt.

Meer dan onze heuvels, die heuvels heten maar die naam nauwelijks waarmaken, spreken onze rivieren tot de verbeelding. Een rivier is altijd in beweging, stroomt zoals het leven stroomt, brengt leven, herbergt leven, voedt leven. Volgens plato viel de filosofie van de presocratische griekse filosoof herakleitos samen te vatten in twee woorden: πάντα ῥεῖ (panta rhei), alles stroomt. De werkelijkheid is als de stroom van een rivier, zo meende herakleitos: alles wijkt, niets blijft. ‘op wie in dezelfde rivier stapt, stroomt steeds weer ander water toe.’ misschien is het wel daarom dat rennen over de rivierdijk, over eeuwenoude paden langs de oevers ruimte schept in je hoofd, alsof overtollige gedachten in een heel natuurlijk tempo door het water worden afgevoerd, naar de zee, waar gedachten van mensen die langs de loop van de rivier naar het water hebben geke- ken – van een geitenhoeder in de alpen tot een zutphense hardloper – samenkomen, zich vermengen en langzaam naar de bodem zinken, als sedimenten van de ziel.

De ijssel is geen imponerend brede rivier maar een smalle met grote meanders. Anders dan bijvoorbeeld de waal en de maas, die op het landschap lijken te liggen, beweegt de ijssel zich op sommige plekken door een comfortabel dal dat ze zelf heeft ingericht. Overal waar je haar bezoekt, ziet ze er weer anders uit, ligt ze in een andere houding. Waar de waal een uitgebalanceerd, standvastig karakter heeft, zit de ijssel vol verrassingen. Het maakt haar mooi én het maakt dat ze meer op het stromende leven lijkt dan haar gedweeë grote zussen.

Een natuurlijke grens

De mens heeft behoefte aan grenzen, omdat die een gevoel van veiligheid geven. We bouwen muren om onze steden, hekken om ons land, schuttingen om onze huizen, kamers in onze woningen. Wat binnen onze grenzen ligt, is vertrouwd en eigen. Het is een dierlijk verlangen naar beschutting, naar een plek om ons terug te trekken, een donker hol van waaruit we de vijand kunnen zien naderen. De vele rivieren die strepen door ons landschap trekken hebben we dankbaar als grenzen aangenomen. Ze vormen een ideale verdedigingslinie, een natuurlijke barrière tussen stammen, religies, talen en dialecten. Zo ook de IJssel. De Drentse zanger en componist Daniël Lohues schreef een lied met de titel Ten Oosten van de Iessel. Het refrein luidt:

Ten Oosten van de Iessel
is ’n ei gien lege dop
In het land van de wiezen komp de zunne op

Bij de IJssel begint het oosten, het land van de zon en de wijzen waar alles beter is dan in het westen.

De IJssel is een dame met een wat ingewikkelde afkomst. Van de meeste rivieren ligt de bron hoog in de bergen. Ze beginnen als een stroompje smeltwater, worden een kabbelend beekje, zwellen steeds verder aan, glijden door half Europa naar het laagste punt: Nederland. Romantici noemen Nederland één grote rivierdelta, niet-romantici spreken met haast sardonisch genoegen over het afvoerputje van Europa. De Rijn, die ontspringt in de Zwitserse Alpen, is de voormoeder van de IJssel. Die voert haar vervolgens in haar buik mee naar de grens met Nederland, waar zij zich splitst in de Waal en de Nederrijn. Dat is bijzonder, een rivier die zich zo ver voor de zee vertakt. Zo’n tien kilometer verderop, bij Westervoort, vertakt de Nederrijn zich opnieuw. Daar baart zij de IJssel, een wat onstuimig, eigenwijs kind. Slingerend en diep trekt zij noordwaarts, langs uitgestrekte landbouwgronden, kleine dorpen, bossen en houtwallen, langs de Hanzesteden Doesburg, Zutphen, Deventer, Hattem, Zwolle en Kampen, om zich via het Kattendiep en het Keteldiep in het Ketelmeer te laten glijden en ten slotte onder de Ketelbrug door in het IJsselmeer te verdwijnen.

Ten tijde van koningen

Stad en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Waar rivieren land met zee verbonden ontstonden steden. Vervolgens groeven mensen sloten en kanalen om die steden te verbinden met andere dorpen, steden, boerderijen, rivieren en zeeën. Zo’n vijftienhonderd jaar geleden – in de tijd dat op ons grondgebied Frankische en Friese koningen er met hun legers op uit trokken om Denen op strooptocht een halt toe te roepen – stopte de IJssel nog bij Zutphen, een kleine Germaanse nederzetting op een paar duinen, een bult in het landschap waar de IJssel niet overheen kwam.

Er was wel een ander riviertje bij Zutphen, de Berkel. Die ontspringt in Duitsland, stroomt via Eibergen, Borculo en Lochem naar Zutphen en mondt daar vandaag de dag in de IJssel uit. Vijftienhonderd jaar geleden, toen het Rijnwater nog niet over de Zutphense duinen kwam, stroomde de Berkel zuidwaarts richting Doesburg, om bij Arnhem in de Rijn uit te komen. Bij hoogwater ontmoetten de Berkel en de Nederrijn elkaar, maar omdat het water door de horde bij Zutphen nergens heen kon, ontstond er in de huidige IJsselvallei een enorme plas met Zwitsers smeltwater en Duitse regen. Klei en slib en gedachten die de rivier onderweg had meegesleurd bezonken daar en door al die sedimenten werd het gebied langzaam opgehoogd. Rond 500 kwam het water voor het eerst zo hoog dat het over de bult bij Zutphen stroomde, naar Deventer, en daar weer naar beneden holde, richting het Aelmere, de binnenzee die op de plek lag waar later de Zuiderzee ontstond en nu het IJsselmeer ligt.

Heel langzaam maar heel zeker sleet het Rijnwater gedurende honderden jaren bij een hoge waterstand de bult bij Zutphen af en steeds als het water daar overheen kwam en het op snelheid weer naar beneden liep, sneed het dal zich dieper in het landschap, net zo lang tot er vanaf Zutphen niet langer een rivier van noord naar zuid stroomde, maar het Rijnwater naar het noorden begon te lopen. De IJssel had zich in het landschap gevestigd en dat gaf een enorme impuls aan de groei van de nederzettingen in het gebied. Er was nu een waterweg die hen niet alleen met elkaar verbond, maar ook met de Rijn én de Waddenzee. De IJssel opende de wereld, waardoor Deventer en Zutphen zich tot steden konden ontwikkelen.

 

Soms gaat de hardloper hier even gelijk op met de vrachtschepen die veel te groot lijken voor de IJssel en de rivier iets statigs geven.

Natte voeten

De zee kent eb en vloed, rivieren kennen hoog- en laagwater. Ook de IJssel. Wil er veel water naar de zee, dan overstromen de uiterwaarden, krijgt het landschap natte voeten. Staat het water laag, dan drogen ze weer. Sommige soorten gedijen bij die afwisseling van nat en droog omdat ze dol zijn op rivierklei. Sikkelklaver bijvoorbeeld, met de mooie gele bloemetjes. En slijkgroen, een lieflijk maar robuust ogend plantje dat in bloei lichtpaarse klokjes draagt. Dan is er nog de kattenstaart die met zijn grote roodpaarse bloemen langs de oevers om aandacht schreeuwt. De muurpeper, een vetplantje, is stiller, blijft laag bij de grond, tot hij met zijn knalgele bloemetjes opeens je blik vangt. Ook vele vogels voelen zich thuis in de IJsselvallei. Op de borden die de vaargeul aangeven drogen aalscholvers hun vleugels. Meeuwen rusten, observeren hun omgeving. Aan de oevers staan reigers en zilverreigers in het water te turen. Op een paal in een aangrenzend weiland rust een buizerd, iets verderop struint een fazant door het gras. Hoog in de lucht bidt een torenvalk. Wie geluk heeft ziet een dodaars of een ijsvogel. In de heggen schuilen braamsluipers, in het riet op de oevers zingt de rietgors. Bij Cortenoever, bij Brummen, liggen de kronkelwaarden. Hier leeft een van de zeldzaamste vogels van ons land: de kwartelkoning. De vallei wordt gevrijwaard van begroeiing en opengehouden voor het water door toegewijde groepen beheerders: Schotse hooglanders en IJslandse paarden.

Voetstappen over de dijk, rennen in het tempo van de rivier. Soms gaat de hardloper hier even gelijk op met de vrachtschepen die veel te groot lijken voor de IJssel en de rivier iets statigs geven. Nog altijd is ze in gebruik, deze sierlijke oerweg, deze reden dat al die steden in dit landschap zijn gegroeid. Na het lopen, als de rivier alle overtollige gedachten heeft afgevoerd en er alleen nog schoonheid is, schoonheid en vermoeidheid, kom je terug in de stad. Lohues zingt:

En dan uuteindelijk,
a’j aal mar deurgaon
Ko’j bij weer bij ’t begun terecht, opzich
En dan wee’ j dat de halve wereld
Ten Oosten van de Iessel lig

Vanaf de andere oever leek Zutphen, een van de oudste steden van ons land, opgeslokt door de kille mist, maar eenmaal terug in haar warme schoot blijkt ze stand te hebben gehouden, nog altijd die veilige haven te zijn. In de Middeleeuwen werden hier om tien voor tien ’s avonds de klokken geluid. Een aansporing om snel naar huis te keren, omdat de stadspoorten om tien uur sloten. Ook vandaag de dag luiden de klokken nog om tien voor tien. Dat gelui horen in de wetenschap dat je binnenspoorts bent, dat de kinderen al in bed liggen te slapen, hun kleurrijke tekeningen op de koelkast geplakt, geeft zelfs nu nog een gevoel van geborgenheid. ••

Mystical Miles #7

Dit verhaal van Lidewey van Noord is te lezen in editie 4 van Mystical Miles. Bestel het losse nummer voor nog veel meer mooie verhalen of word abonnee en ontvang het magazine 4x per jaar op je deurmat.